Inhoudsopgave


OPGRAVING KASTEEL VOORST 2

Een vervolg op de opgraving van 1982, hoe het kwam dat er in 1983 opnieuw gegraven werd op het kasteelterrein, de gedane vondsten, de onderhandelingen over de vondsten en uitleg over een paar publicaties waar de vondsten in beschreven worden. Aan het eind van deze tekst heb ik de reconstructietekening van het kasteel met z’n grachten gezet zoals die door de provinciale archeoloog A.D. Verlinde afgebeeld is in het ‘Kasteelboek’. Mijn aanvullingen daarop heb ik er in getekend.


Na de opgraving in 1982 werd het terrein grotendeels geëgaliseerd en hebben verschillende coinhunters het land nog afgezocht naar voorwerpen. Van alles is er toen gevonden. Voor het zoeken had ik geen tijd want na de opgraving ben ik bezig geweest met verschillende opgravingen/waarnemingen in Zwolle en omgeving zoals u kunt lezen in Ossenmarkt 1982.

Op 7 augustus 1983 bracht ik avonds een vriendin naar huis in Westenholte. Tot mijn grote verbazing bleek het kasteelterrein omgetoverd te zijn tot een maanlandschap. Overal waren grote bulten grond te zien. De volgende dag een kijkje genomen en toen bleek dat men begonnen was met de aanleg van het park “De Stins”. (Achteraf hoorde ik van R.v.B. dat er een afspraak gemaakt was tussen de gemeente en prov. arch. Verlinde dat er niet dieper gegraven mocht worden dan 50 cm! De sloten mochten al helemaal niet vergraven worden laat staan de verhoging in het midden! Vreemde zaak dat beide partijen niet in staat bleken om elkaar te vertellen dat als er bomen geplant zouden worden je meer diepte nodig hebt dan die 50 cm!)

In ieder geval hield de draglinemachinist zich niet aan die afspraak want er waren gaten bij van wel 3 meter diepte! Aan de oppervlakte lagen voorwerpen die duidelijk afkomstig waren uit de 13e -14e eeuw. Paardenbitten en ruitersporen waren voor het oprapen! Ook was de machinist bezig geweest om rondom het monumentterrein de sloot uit te graven! In de wand van de sloot zag ik over een afstand van wel 70-75 meter een rode waas die afkomstig bleek te zijn van stuk geslagen kloostermoppen. (E op de reconstructietekening) Nu direct wat informatie: ik las in het ‘kasteelboek’ op blz. 14-15 (tekst prof Renaud) en op blz. 28-29 (tekst Verlinde en de gegevens die hij ontvangen had van dr. A.C.F. Koch) dat er in een oorkonde van 18 juni 1363 geschreven is dat er een “nedersten en een opper-voorburcht” moeten zijn geweest. De nedersten-voorburcht zou belegd zijn met rode steen!! Zou die puinlaag daar mee te maken hebben? De laag ligt precies tussen de opgravingsleuven aan de N-O zijde zoals op de tekening te zien is. Blij dat ik mijn fototoestel meegenomen had want zo kon ik die laag vastleggen zoals u hier kunt zien. De volgende dag was het grondwater zo hoog gestegen dat de puinlaag onder water stond! Jaren later is aan de kant van het weiland de nieuwe Steenboerweg en het Hof van Voorst gekomen met z’n huizen. Zo ver ik weet zijn er geen meldingen of hebben extra onderzoeken plaats gevonden op de plek waar de puinlaag gelegen moet hebben.

Na het maken van de foto heb ik de detector langs de laag gehaald en er pijlpunten, kogels en een munt uit gehaald. Ik ben toen naar Ruud van Beek (R.v.B. was A.W.N. coördinator en rijkscorrespondent) gegaan en de munt afgegeven voor determinatie door het R.O.B.. (De munt is later door Verlinde verzonden naar Arent Pol van het ‘Koninklijk kabinet van munten en gesneden stenen’ in Den Haag voor determinatie. Het bleek om een Groot te gaan van Jan van Arkel, 1341-1364 en geslagen in Utrecht.)


Hiernaast de tekening van de voorzijde van de munt van Bisschop Jan van Arkel.


R.v.B. verschoot van kleur toen ik hem vertelde wat er op het terrein gebeurde. Hij wilde er niets van weten!!!! Hij was helemaal overstuur en zei dat ik mijn gang maar moest gaan en met de detector het terrein verder af moest lopen. Omdat ik avonds een afspraak had, heb ik overlegd met vriend Wim Rijnberg en die heeft avonds met Henk Hasselt op de door mij aangewezen plek (C) o.a. de nierdolk gevonden. Verslag Wim: “Bij Hasselt thuis heeft Henk R.v.B. gebeld. Die vroeg of ik de volgende dag met de vondsten naar het museum wilde komen want dat zou mooi uitkomen want Verlinden was er dan ook. Heb de dolk die nacht thuis gehad en een foto gemaakt van de dolk die door mijn vrouw Marga vastgehouden wordt.

De volgende morgen ben ik met mijn vondsten naar het museum gegaan en daar trof ik R.v.B., Verlinde en directeur De Jong aan. Hun ogen vielen bijna uit hun kassen. Het was natuurlijk niet alleen de dolk die voor sensatie zorgde maar ook het grote kaliber van de loden kogel die ik op dezelfde plaats gevonden had. De dolk zou door de R.O.B. geconserveerd en gerestaureerd worden en daarna zou die op de tentoonstelling te zien zijn. De dolk heb ik weer in handen gekregen toen de tentoonstelling voorbij was en toen er onderhandeld moest worden over de aankoop voor het museum”. Tot dusver de versie van Wim. Laat op de avond van de dolkvondst kreeg ik een telefoontje van R.v.B.. Hij deelde mee dat er een dolk gevonden was. Daarna heb ik Wim en Henk gebeld om te vragen wat er gevonden was en hoe dat zou gaan met de verdeling. Beiden waren het er direct over eens dat we met z’n drieën zouden delen. Per slot had ik de plek gevonden, gemeld en aangewezen. Toen ik op de dinsdagmiddag bij R.v.B. thuis kwam lag de dolk op de tafel.

R.v.B. is de volgende dag meegegaan en zag de puinhoop op het terrein. Hij knetterde het uit maar de draglinemachinist vertrok geen spier! R.v.B. had natuurlijk niet verwacht dat de dragline zoveel overhoop had gehaald. R.v.B. gaf aan dat we ons best maar moesten doen om zoveel mogelijk nog te redden wat er te redden viel. Omdat Verlinde de dag er voor net zijn dinsdag bezoek had gedaan had die natuurlijk geen tijd om direct te komen en heeft het hele gebeuren aan R.v.B. overgelaten. R.v.B. zagen we pas een week later op het terrein terug in gezelschap van Verlinde. Samen met Henk en Wim hadden wij in die week de machinist 25 gulden gegeven om ons zoveel mogelijk van dienst te zijn. Op de plaatsen waar bomen kwamen gooide hij de bak er ruim in en strooide de grond voor ons uit. Zo was het makkelijker voor ons om de vondsten er uit te halen. Wij vonden veel voorwerpen en lieten die avonds aan R.v.B. zien. R.v.B. zal Verlinde wel van de vele vondsten op de hoogte gebracht hebben maar ze zullen wel tegen elkaar gezegd hebben: “laat het maar zo want alle vondsten die nog gedaan worden zijn interessant en kunnen nog in de tentoonstelling meegenomen worden”. Volgens mijn bescheiden mening hebben ze ons aan het lijntje gehouden en de schijn van boosheid opgehouden.
Op de dag dat Verlinde met R.v.B. meekwam en de grote gaten zag schrok hij en zei: “wat is hier aan de hand. Dit is niet te geloven en waarom weet ik er nu pas van”? Ik heb hem toen uitgelegd dat het grootste gat gedeeltelijk op de plaats zat waar de A.W.N. in 1982 hun opgraving had gehad. Dit kon ik aan de hand van de in mijn bezit zijnde opgravingtekening aan hem laten zien. De gevonden palen had ik al keurig op de tekening ingetekend en de palen lagen in het verlengde van de rijen palen die in 1982 gevonden waren (A). Hij was wat gerust gesteld en verbood ons niet om verder te zoeken. Later heeft Verlinde, volgens R.v.B., oorlog gemaakt met ‘Openbare Werken van de Gemeente Zwolle’ i.v.m. de eerder gemaakte afspraak over het niet dieper graven van 50 cm.



Op de dag (20 september) dat er in de grond verdiept zou worden zijn R.v.B. en ik naar het terrein gegaan. De dragline raakte een paal en even later kwamen er meer tevoorschijn en een restant van een muur (D).


De palen hebben waarschijnlijk te maken met een brug/toevoerweg naar het Kasteel vanaf het hoger gelegen weiland (“de Hoge Kamp”) aan de noordzijde. Dat vanaf dat hoger gelegen land het kasteel bereikt moest worden lijkt me logischer dan vanaf de andere zijde waar het land/loopniveau lager was en drassig. Ruud wilde niet verder kijken en sommeerde de dragline om het gegraven gat weer dicht te gooien. Meer info over die palen en of er meer te vinden waren wilde hij niet onderzoeken. Bang? Omdat het vinden van die palen en mijn conclusie over die brug in tegenspraak was met wat er in het officiële opgravingsverslag en in de tekst van het boekje over het kasteel geschreven (geconcludeerd) was? Na deze waarneming zijn de werkzaamheden op het terrein op een laag pitje gezet en konden wij de door ons gevonden voorwerpen gaan schoonmaken en opknappen.


Op de reconstructietekening van Verlinde is de vondst van de stammetjes (S) en de daar boven liggende muur, in de N-W hoek van de Voorburcht niet ingetekend maar wel gebruikt om de lijnen vast te stellen hoe de Voorburcht er globaal uit gezien zal hebben. Als u deze afbeelding eens goed bekijkt dan kunt u zien dat de hoek tussen de muur en de stammetjes net geen 90 graden is maar ook niet zo scherp als de reconstructietekening ons moet doen geloven. Gezien de gevonden palen en de stukken muur lijkt het mij, als ik de twee stukken muur met elkaar verbind, dat de muur van de Voorburcht evenwijdig gelegen zal hebben aan die palen. De Voorburcht zal dus een andere vorm gehad hebben dan de reconstructietekening ons laat zien.
Buiten de al genoemde paardenbitten en ruitersporen werden er door ons pijlpunten, kraaienpoot, onderdelen van harnas en helmen, glas in lood, munten, raamijzer, speelkoten en verschillende kalibers van kogels gevonden. Buiten een loden haakbuskogel van 15 x 15 mm met een massa van 33 gram, vond Wim Rijnberg in de al genoemde sloot een zeer uitzonderlijk exemplaar. De kogel had maar liefst een doorsnede van 52 mm en een massa van 1121 gram. Dat er zulke grote kogels/haakbussen gebruikt waren in die tijd was onbekend.

Eén van de voorwerpen die ik daar vond was verstopt in een klomp roest. Toen ik het schoon gemaakt had bleek de vorm af te wijken van een gewone pijlpunt maar mijn gedachten gingen uit naar een brandpijl. Verlinde en R.v.B. moesten om mijn mening lachen maar ik ben er van overtuigd dat deze lange pijlpunt gebruikt is om brandende lappen of iets dergelijks te ‘vervoeren’. Aan de zijkanten vond ik nog resten van waarschijnlijk een oogje waar iets aan vast gezet kon worden. De vorm lijkt op die van een brandpijl in het A.W.N.-blad ‘Westerheem no.6 van 1984’ een brandpijl uit de Romeinse tijd.




Ik heb een reconstructie van de brandpijl getekend (links), maar weet niet zeker of er aan de zijkant haken hebben gezeten of dat het een oog was waar eventueel iets aan vast gebonden kon worden. Het voorwerp heeft een lengte van 8,5 cm en heeft een massa van 26,5 gram.


Tegen de hoogte van het hoger gelegen weiland werden nog de houten tol, netverzwaarder, sleutel, houten bakjes, spatel, en opnieuw kogels en pijlpunten, waaronder een springaalpunt gevonden. De beschrijving van de vondsten heeft wat voeten in de aarde gehad maar daarover later. Ook na deze noodopgraving heeft Henk Hasselt de coinhunters op de hoogte gesteld en zijn er uit verschillende windstreken coinhunters op het terrein afgekomen.


Verlinde had een bod gedaan van 500 gulden op de dolk. Diezelfde avond nog tot half twee aan het bellen geweest met Henk en Wim m.b.t. het delen van de opbrengst. Ik zou meedelen in de opbrengst en zou woordvoerder zijn en mocht onderhandelen. Donderdags de rest van het materiaal naar R.v.B. gebracht. R.v.B. zou contact zoeken met de toenmalige directeur van het POM dhr. de Jong om te vragen of de voorwerpen die nog niet eerder gevonden waren nog ingebracht konden worden voor de tentoonstelling. Het leek wel of R.v.B. niet durfde?! Ik mocht de krant verwittigen dat er nieuwe vondsten gedaan waren. Eigenlijk was dat wel typisch voor R.v.B. want meestal zorgde hij er wel voor dat de pers ingeschakeld werd maar waarschijnlijk zal dat wel te maken hebben gehad met de problemen die ontstaan waren tijdens de opgraving op de Ossenmarkt en na het vinden van de ‘luisterpot’ door mij! Hij wilde mij natuurlijk niet passeren als melder en vinder van vele voorwerpen!

Omdat de tentoonstelling bijna begonnen was werden de voorwerpen naar het museum gebracht. Op 23 september 9.30 uur kreeg ik een telefoontje van Ruud of ik langs wilde komen. Bij hem thuis lag op tafel een zwaar geoxideerde klomp metaal. Op de kleur afgaande was ik er eigenlijk wel van overtuigd dat het om brons moest gaan. In een hoekje wat afgekrabd en het leek of er iets in gegraveerd stond. Ruud vroeg of ik wilde proberen om het voorwerp, we hadden totaal geen idee wat er in moest zitten, tevoorschijn te toveren. In mijn atelier ben ik aan het werk gegaan en steeds nadat ik een stukje van de oxidatie had verwijderd nam de spanning toe want er bleken letters tevoorschijn te komen.
Nadat ik alles vakkundig schoon gemaakt had kon ik constateren dat ik een lakzegelstempel van de kasteelheer in mijn handen had. Ik ben toen naar Herman Kamphuis gegaan want die had als tandarts materiaal waar je mooie en nauwkeurige afdrukken mee kunt maken zoals u hier kunt zien. De positieve afdruk van het zegel heeft een doorsnede van 5,8 cm.

Ruud gebeld en die kwam en stond vol verbazing naar het voorwerp te kijken. Dat hij direct daarna allerlei archieven bezocht heeft kan ik begrijpen maar als ik dan later hoor dat hij aan archiefmedewerkers zelfs vroeg of het zegel wel authentiek was verbaasde me dat wel een beetje! Archiefmedewerkers weten van metaal of dateringen normaal gesproken weinig af en zijn al helemaal niet bekend met voorwerpen uit de middeleeuwen! Natuurlijk werden er in vroegere tijden zegels nagemaakt maar ik kon mij niet voorstellen dat op het terrein van de ridder van Voorst een vervalst zegel op zou duiken. Toen ik R.v.B. vroeg of hij aan de oudheid van het zegel twijfelde of dat hij de gedachte had dat het zegel in die tijd vervalst was kreeg ik geen antwoord. Het ongeloof zat blijkbaar bij het gegeven dat het zegel zo puntgaaf was terwijl het altijd gebruikelijk was dat een zegel bij overlijden van de persoon vernietigd werd. Mijn verklaring voor het gave zegel kan zijn dat de ridder het verloren is en dat hij daarna een nieuw zegel heeft laten maken. Dat mijn gedachte niet vreemd bleek te zijn werd door R.v.B. verwoord in een krantenartikel van oktober 1983. Tot nu toe, 2012, zijn er geen wasafdrukken van het zegel bekend en dat zou er op kunnen duiden dat mijn gedachte nog niet zo gek is!


Natuurlijk was het een vondst die opzien baarde want nooit eerder was er uit die tijd zoiets gevonden. Dit zegel bleek na ontcijfering de volgende tekst te bevatten: “SIGLLUM SWEDERIKE DE VORSTE”. R.v.B. heeft later in het ‘Zwols Historisch Jaarboek’ van 1984 een artikel over het zegel geschreven. Door veel onderzoek te doen en met feiten te komen en die weer te koppelen aan onze latere vondsten op het “Hof van Voorst” weet hij te verklaren dat het hoogst waarschijnlijk om het zegel gaat van een Sweder van Voorst uit de eerste helft van de 13e eeuw. In deze publicatie van eind 1984 vermeldt R.v.B. “De heer E. Dikken uit Zwolle heeft het stempel zo goed mogelijk gereinigd en leesbaar gemaakt.”. Dat eindelijk mijn naam genoemd wordt komt doordat ik steeds protest liet horen als er weer eens een publicatie van R.v.B. was verschenen waar hij namen in was “vergeten” zoals hij dat zelf noemde!

R.v.B. was achterbaks of moet ik het geslepen noemen? Op een gegeven moment zit ik naar de TV te kijken en zie Van Beek in beeld bij Koos Postema. Wat heeft hij in de hand? Jawel, de nierdolk die gevonden was op het terrein van Kasteel Voorst! De dolk was nog steeds eigendom van de vinders maar om die op de hoogte te brengen van wat hij er mee ging doen, ho maar. Je staat dan wel even raar te kijken. In de studio werd een programma gemaakt dat ging over het promoten van de archeologie. Op de tribune zaten o.a. amateurarcheologen die hun vondsten toonden en waar een gesprek mee gehouden werd. In het panel zat o.a. de directeur van de R.O.B. Van Es en natuurlijk R.v.B.!

Toen ik hem de volgende dag vroeg waarom wij niet wisten dat hij op de TV zou verschijnen gaf hij aan dat het allemaal vrij plotseling was gegaan en daar moest ik het maar mee doen. Een TV-uitzending die plotseling gemaakt wordt! R.v.B. dacht zeker dat ik nog in sprookjes geloofde! Hij zal wel bang geweest zijn dat als wij daar bij aanwezig waren wij onze verhalen zouden vertellen en dat paste niet in dat programma en was helemaal niet goed voor de image van R.v.B..