Inhoudsopgave


OPGRAVING KASTEEL VOORST 1

Zoals ik in het overzicht van 1982 al schreef staan hieronder mijn bevindingen en worden mijn eerste contacten met de R.O.B. en A.W.N. beschreven. In ‘Inleiding’ ben ik al uitgebreid ingegaan waarom deze opgraving plaats vond en hoe het aangepakt zou worden. Verder wil ik niet al te veel uitweiden over dateringen van de vondsten of over de gevonden kasteelrestanten. Alleen waar ik het nodig vind zal ik dat wel doen en verder verwijs ik u naar het ‘Kasteelboekje’, “Het Kasteel Voorst, Macht en val van een Overijsselse burcht”. De foto’s en tekeningen in de verslaggeving van Kasteel Voorst 1 en 2 zijn gemaakt door. R.v.B., Verlinde, Jaap v d Berg, Marga Rijnberg en door mijzelf.

Het verhaal gaat dat het eerste Kasteel Voorst rond 1224 geslecht is maar of het tweede kasteel, die gebouwd zou zijn zo rond 1280, op dezelfde plaats gezet is blijft nog steeds een mysterie. Omdat de Ridder van Voorst voor veel problemen zorgde besloot de Bisschop van Utrecht, Jan van Arkel, met hulp van de drie IJsselsteden; Deventer, Zwolle en Kampen, om in 1362 het kasteel te belegeren en Van Voorst tot overgave te dwingen.

Vanaf 22 februari tot 8 april 1982 werd een poging gedaan om de restanten van het Kasteel Voorst te ontdekken. Onder leiding van provinciaal archeoloog Verlinde en G. van Haaff, technische medewerker van de R.O.B., vond de opgraving plaats. R.v.B., (A.W.N. coördinator) zou hulp bieden en waar mogelijk was leden van de A.W.N. inschakelen voor hand en spandiensten. Met veel discussie, zie Inleiding, werd besloten om een aantal sleuven, in kruisvorm, te graven. (Achteraf ging het om in totaal 450 m. lengte en 4 m. breed). De verwachting was dat het kasteel een complex van wel een paar honderd meter zou zijn en dat de Voorburcht waarschijnlijk op het wat hoger gelegen weiland, dat grensde aan de Steenboerweg, zou liggen. Daarom werd besloten om daar het begin te maken van de sleuf richting het hart van perceel ‘de Steen’. Na een volle week kwam men eindelijk in de buurt waar later het kasteelcomplex gelokaliseerd kon worden. Op de plaats waar ik mijn 13-14 eeuwse vondsten bij het bruggetje gedaan had, werd geen onderzoek ingesteld. Ik verbaasde mij daarover. Later bleek dat ik de voorwerpen gevonden had op een plaats waar zij ze niet hadden verwacht! Niet OP het terrein maar aan de zijde van de bebouwing.
De eerste dagen van de opgraving ben ik een enkele keer wezen kijken. Ik werd herkend als de persoon die ook de cursus bij Verlinde had gevolgd. Na een aantal dagen weer eens wezen kijken en zag toen dat er bij toeval, op de plaats waarvan later bleek dat het om de voorburcht ging, in de opgravingssleuf een duigenton (W) ontdekt werd. G. van Haaff had op dat moment hulp van een paar ‘oudere’ mannen die niet zoveel interesse toonden om het koude grondwater in te gaan!!! De ‘oudere’ mannen waren R.v.B. en Jaap v. d. Berg. Toen mijn laarzen uit de auto gehaald, aangetrokken en mijn hulp aangeboden. Wat natuurlijk met graagte aanvaard werd!



Hier ben ik bezig om de maatstok op te houden zodat R.O.B.-man V. Haaff de hoogte van de ton, waarschijnlijk een oud wijnvat, in kon tekenen. Op de afbeelding hierboven is boven de rand van de tonput nog de stortlaag te zien. Het houtmateriaal van de ton zou volgens de gegevens van Dirk de Vries gekapt zijn tussen 1267-1280.
Op de afbeelding is te zien dat er drie bundels van duigen om de ton heen zitten maar waarschijnlijk is de ton hoger geweest want bovenaan zullen ook bundels duigen gezeten hebben.



De ton bleek als waterput gebruikt te zijn, er zat namelijk geen bodem in. Na buiten gebruik te zijn geraakt is er afval in terecht gekomen. Het bovenste gedeelte van de inhoud is er in lagen door mij uitgehaald. Het onderste gedeelte is er snel uitgehaald omdat het onmogelijk was, gezien het koude water dat steeg, het materiaal laagje voor laagje af te pellen! Het materiaal kon door de R.O.B. gedateerd worden tussen 1250-1300.

Vanaf dat ik hielp bij de tonput bijna onafgebroken vijf weken de technische man geholpen met meten, intekenen en als er tijd over was mocht ik met de detector van de R.O.B. zoeken in de gegraven sleuven naar metalen. De grond die weg gegraven werd kwam opzij van de gleuven te liggen.


In het afval werd een benen dobbelsteen gevonden. De ribben van het kubusje meten 6-7 mm. De waarden op de vlakken zijn aangegeven met ingegroefde puntcirkels. Hierbij valt op dat de som van de waarden van de twee tegenover elkaar liggende vlakken geen zeven bedraagt zoals wij zien bij de recente dobbelstenen. Dit type blijkt in de Middeleeuwen meer voor te komen.

Een tweetal voorvallen

Als eerste: na een aantal dagen kwamen de geruchten dat er allerlei voorwerpen gevonden waren in de stort door personen met een detector. Zij waren van de opgraving op de hoogte gebracht door Henk Hasselt! Deze was de voorzitter van de Coinhunters en was ook aanwezig geweest op de cursus van Verlinde waar ik in Inleiding melding van gemaakt heb. Henk woonde vlak bij het terrein en hield de boel dan ook goed in de gaten.
Het opgravingsterrein was niet afgezet met hekken en iedereen kon gewoon het terrein betreden. Ook in de weekenden. De eerste avonden kwam R.v.B. wel eens kijken maar zodra hij weg was gingen de coinhunters gewoon hun gang en met behulp van een zaklantaarn zagen zij genoeg want de detector wees hun de weg!

Verlinde en R.v.B. mopperden wel op de jongens maar er werd niet tegen opgetreden maar ook niet mee overlegd. Ik heb toen coinhunter Esselink gevraagd om o.a. het door hem gevonden spoor te melden. Dat heeft hij later ook gedaan.

Na een tijdje heeft R.v.B. een deal gesloten met Henk Hasselt om de gevonden voorwerpen aan hem te laten zien maar dat zij ze wel mochten behouden! Dit was de enige manier om toch nog wat extra gegevens uit de opgraving te halen. Er was dan ook niets mis mee met de door R.v.B. gemaakte deal. Alleen kwam die deal bij Jaap v. d. Berg en mijn persoon vreemd over want wij moesten alle door ons gevonden voorwerpen afstaan aan de R.O.B.! Dat was ook de afspraak en daar hadden wij ook geen bezwaar tegen maar toen wij bemerkten dat er steeds meer coinhunters/schatgravers? op het terrein verschenen en dat die de vondsten in hun zak mochten steken verbaasden wij ons daar wel over. Wij hebben toen Verlinde daarover aangesproken.


Tijdens de opgraving mocht Jaap v. d. Berg de scherven mee naar huis nemen en kijken of uit de scherven nog iets te maken was. Op deze afbeelding een gedeelte van de vele tientallen Siegburg-kannetjes die wij in die weken vonden.


Er werd ons een Siegburg-kannetje beloofd want daar hadden wij er toch al tientallen van gevonden! Prima maar het kannetje hebben wij nooit ontvangen! Wat nog veel erger was is dat wij, toen de tentoonstelling van de opgraving er was, het daarbij verschenen boekje van 15 gulden zelf moesten betalen! Op de dag van de opening was de toegang natuurlijk gratis maar toen wij later onze eigen gedane en afgestane vondsten uit 1983 (Kasteel Voorst 2) in alle rust opnieuw eens wilden bekijken, moesten wij toegang betalen! Dat ik het daarmee niet eens was zult u begrijpen maar blijkbaar was dat niet doorgedrongen bij de mensen die de tentoonstelling hadden georganiseerd. Ik heb dan ook stennis gemaakt en het voorstel gedaan om ons een kaart te geven zodat wij ons konden legitimeren bij de kassa zodat wij gratis toegelaten konden worden. Was dat teveel gevraagd voor al ons pro deo werk? Ik werd wel als lastpost gezien. Maar dat kwam waarschijnlijk omdat ik het woord voerde mede namens de andere vrijwilligers? Toch kregen wij onze zin. Geen kaart maar wel gratis toegang tijdens de tentoonstelling.

Het tweede voorval: ik vermeldde al dat er een technische man van de R.O.B. aanwezig was. In de dagen dat ik met hem samenwerkte praat je met elkaar ook over andere zaken. Mijn antiekhandel en dat ik archeologische vondsten restaureerde en verhandelde kwam ook ter sprake en toen hoorde ik ook dat G. van Haaff zich interesseerde voor de geschiedenis van een bepaald dorp. Laat ik nu van dat dorp een oude perkamenten akte met zegels in mijn bezit hebben? Van Haaff had tijdens eerdere opgravingen glas gevonden en misschien dat wij een deal konden maken? De volgende dag had hij het glas meegenomen en ik de akte en de deal was snel gemaakt!


Hier het glasmateriaal dat G. van Haaff met mij ruilde voor de akte. Veel medicijnflesjes en zelfs Maigeleins!


Dus binnen een paar weken was ik er getuige van dat er concessies gedaan werden aan coinhunters en dat een medewerker van de Rijksdienst archeologisch materiaal gebruikte als ruilhandel! Een betere ‘leerschool’ kon ik toch niet krijgen hé? Ik heb over de door mij meegemaakte zaken na de opgraving gesproken met Arnold Carmiggelt en Vincent van Vilsteren. (Toen A.W.N. afd. bestuurders.) Zij vonden het ook raar maar wilden proberen om regels vast te stellen voor mensen die behulpzaam waren als vrijwilliger bij opgravingen van de R.O.B.. Pas veel later, als ik aan het einde ben van mijn archeologische periode zijn er voorwaarden aan het helpen vastgesteld. Tevens is de monumentenwet aangepast.


Links
Tijdens de opgraving, op een dag dat ik er niet was, werden er stukken lood gevonden waarvan men dacht dat het gewichten waren maar later bleek dat het om haakbuskogels ging. Deze hadden verschillende kalibers.

Rechts
Ik heb tijdens ‘Voorst 1’ verschillende voor-werpen gevonden en afgestaan aan de R.O.B. o.a.: pijlpunten, haakbuskogels, paardenbitten, gave Siegburg/Jacobakannen, stuk rode barn-steen, bikkel/koot, glis en een kammetje waar-van R.v.B. eerst niet eens wist wat het was!! Tevens heb ik twee bewerkte stukken vuursteen aan Verlinde overhandigd maar daar nooit meer iets van vernomen of over gelezen! Op de afbeelding de plek waar ik het bewerkte vuur-steen vond in aanwezigheid van Jaap v. d. Berg.

In het begin van de opgraving was Verlinde nog wel eens aanwezig maar later alleen op de al genoemde dinsdagen. R.v.B. kwam morgens pas tegen een uur of 10. Tussen de middag was hij naar huis en gingen G. van Haaff en ik gewoon schaften in de keet. Ach, u kent het gezegde: “je hebt zoem- en je hebt werkbijen”. Maar toen ik mijn dia’s in 2011 tevoorschijn haalde bleek op eentje zelfs de directeur van de R.O.B. te staan. Hij was bezig om samen met V. Haaff de gevonden boomstammetjes in te meten. Met z’n keurige sporthemdje met stropdas. Tja, het leven van een directeur valt niet mee. (In de video staat Van Haaff voorover gebogen te tekenen op het tekenbord en zit Van Es op z’n hurken.)

Van Haaff had ook nog als hobby ‘kloostermoppen waar afdrukken instonden van beestenpoten’. Hij kwam aardig aan zijn trekken want daarvan werden er verschillende gevonden. Hier een paar vondsten.

Om publiciteit te maken werden door R.v.B. verschillende personen/journalisten uitgenodigd om eens te komen kijken tijdens de opgraving. Vreemde zaak want zo loop je ook het risico dat personen met kwalijke bedoelingen op de opgraving geattendeerd worden en dat bleek wel uit de vele detectorjongens. Soms kwam je ‘s morgens en waren er grote gaten gegraven in de opgravingsleuven en je je dan wel afvroeg wat er uitgehaald was! Wij ‘verwelkomden’ Van Es (directeur R.O.B.) en professor Renaud. Dhr. Admiraal van het archief kwam een keer op bezoek en mocht een kloostermop meenemen. Wat was hij blij! En niet te vergeten het voormalige raadslid Dirk v d Schrier. De volgende dag stond er meteen een artikel in de Zwolse Courant. Dirk stond op een foto afgebeeld in de sleuf en was in de tekst aan het uitweiden over het kasteel. Zijn gezegde dat het kasteel aan de weg van Zwolle naar Hattem had gestaan sloeg natuurlijk nergens op en dat er scherven gevonden zouden zijn uit de Karolingische periode kwam weer uit zijn bekende duim!!!! Waar die dat gegeven vandaan heeft gehaald is mij een raadsel want die scherven zijn er niet gevonden. Dit soort van op de voorgrond treden heb ik bij hem later vaker meegemaakt. Vincent van Vilsteren heb ik 1 of 2x gezien. Arnold Carmiggelt kwam opdraven toen de A.W.N.?(R.v.B. dus) met de school samen, op een zaterdag nogmaals op de plek ging graven waar wij ook al bezig waren geweest!!!