Inhoudsopgave


Tot besluit

Als u alle hoofdstukken gelezen hebt zult u menigmaal tegen gekomen zijn dat er melding gemaakt werd “met hulp van de A.W.N.”. Dat behoeft wat uitleg: De Archeologische Werkgemeenschap Nederland is een overkoepelend orgaan waar grotendeels amateurarcheologen of geïnteresseerden bij zijn aangesloten. De A.W.N. heeft verschillende afdelingen. Zwolle en zijn omgeving vallen onder IJsseldelta-Vechtstreek en deze afdeling werd begin 70er jaren opgericht. R.v.B. werd rond 1980 aangesteld als coördinator van die afdeling en hij had als taak om meldingen over archeologische vondsten te onderzoeken. In Zwolle waren twee personen die een correspondentiekaart gekregen hadden van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek. namelijk R.v.B. en Gert Oostingh. Deze kaart hield in dat het een soort van legimitatie was en je kon dan vragen of je in een bouwput mocht kijken. Niet meer en niet minder. Dus je kon er totaal geen officiële bevoegdheid aan ontleden.
R.v.B. was vanaf het eind van de 60er jaren betrokken bij verschillende historische verenigingen als redactielid, bestuurder of als inzender van publicaties. Door het schrijven van vele artikelen werd hij steeds bekender. Daar heeft hij goed gebruik van gemaakt zoals u heeft kunnen lezen.

panHet onderzoeken door R.v.B. van de meldingen gebeurde rond 1980 hoofdzakelijk in de buitengebieden. Daar had hij natuurlijk hulp bij nodig en dan probeerde hij leden van de A.W.N. of geïnteresseerden te activeren om met hem mee te gaan. Probleem was natuurlijk dat die personen niet altijd tijd hadden om overdag zich vrij te maken. De meldingen in het buitengebied kwamen meestal van dhr. W. Timmerman uit Hardenberg, dhr. A. Kleinjan uit Den Ham of van dhr. Goutbeek uit Dalfsen. Deze personen waren net als ik ‘bezeten’ van archeologie. Hun bedrijf moest er wel eens onder lijden als er toch opgegraven moest worden op een doordeweekse dag. Deze genoemde personen hebben thuis vele gevonden voorwerpen in hun collectie. Ook R.v.B. had, toen ik met hem kennis maakte, in zijn huis voorwerpen uit opgravingen. (Vuurstenen pijlpunten, aardewerk) En tijdens mijn opgravingtijd heeft hij regelmatig als we vondsten aan het delen waren er voor zichzelf of voor zijn vrouw Tine iets uitgehaald.


Deze “evenveeltjespan” komt uit de opgraving bij het huis Gerner te Dalfsen waar R.v.B. Ab Goutbeek hielp. Het fragment van deze pan had R.v.B. thuis en toen hij wist dat ik goed kon restaureren heeft hij mij gevraagd om dat met deze pan te doen.


Zoals ik al schreef kwamen de meldingen meestal van amateurarcheologen want een melding vanuit de bouwwereld kon je wel vergeten. Die hadden er totaal geen belang bij dat de werkzaamheden aan de bouwprojecten vertraging opliepen. Daar komt bij dat je wel de grondwerkzaamheden in de gaten moet houden en als er dan niemand in Zwolle is die dat doet dan kun je wel naast de telefoon zitten en wachten op een melding maar zo werkt dat niet.
Dat in Nederland de bouwopzichters huiverig stonden tegenover archeologisch onderzoek had er ook mee te maken dat zij geconfronteerd werden met het feit dat beroepsarcheologen maar ook R.v.B. een hautaine houding aannamen waar de bouw niet van gediend was. Het omgaan met mensen uit de bouwwereld is een vak apart maar als ook nog vergeten wordt dat de bouw economische belangen heeft is het moeilijk om samen tot een oplossing te komen. U heeft kunnen lezen dat R.v.B. nauwelijks eigen initiatief toonde om werkzaamheden in de binnenstad van Zwolle in de gaten te houden en zoals ik al aangaf; totaal niet voordat ik eind 1981 op het toneel verscheen. Dankzij mijn initiatief werden vanaf die tijd tientallen waarnemingen en opgravingen gedaan. De gegevens die ik vond werden in dank aanvaard door R.v.B. en de provinciale archeoloog Verlinde. Zij konden doormiddel van publicaties de aandacht vestigen op hun naam maar ook de belangrijkheid aantonen van archeologisch onderzoek en dat er daarom een stadsarcheoloog moest komen. Probleem was wel dat ik daar buiten werd gehouden en alleen goed was om die gegevens uit de ondergrond van Zwolle tevoorschijn te toveren. Doordat ik lid was van verschillende verenigingen op het gebied van archeologie en historie kwam ik er pas later achter dat de al genoemde personen zich in publicaties, waar gebruik gemaakt was van o.a. mijn gegevens, voordeden als de vinder van die gegevens. Dat ik dat niet pikte lijkt mij een normale zaak maar blijkbaar ben je dan lastig. Zoals u heeft kunnen lezen waren er ook meldingen bij R.v.B. binnen gekomen maar gaf hij die niet aan mij door. In feite zat hij naast de telefoon te wachten op een melding en toen ik hem eens zei “waarom loop je dagelijks niet eens door de stad om te kijken of er ergens werkzaamheden plaatsvinden” antwoordde hij dat hij daar geen tijd voor had!!!

schoenen

Of het nu aardewerkscherven zijn of haast complete schoenen, alles kom je tegen en moet gerestaureerd worden. De schoenen liggen buiten in de vrieskou om ze droog te vriezen.

schoenen

Nu een tekst uit Westerheem XXXIV-2/3-1985. Daar is het artikel in opgenomen “Stadskernonderzoek in de amateurarcheologie”. Het artikel is geschreven door R. van Beek en Vincent van Vilsteren. De auteurs gaan in op de jaren toen er o.a. in Zwolle nauwelijks interesse was voor onderzoek. Er worden een aantal voorbeelden beschreven en mijn oog viel op de tekst die op bladzijde 125 staat: “Wat opvalt bij de enkele hierbij toch wel geïnteresseerde personen is de passieve opstelling: van wachten tot men gewaarschuwd wordt en bovendien het ontbreken van enige archeologische kennis van zaken”.
Tevens wordt in het artikel uitgelegd dat de geïnteresseerden, o.a. R.v.B., makkelijker met de gemeente konden onderhandelen dan met een particulier als ze een onderzoek wilden doen. Ook noemen de auteurs het erg belangrijk dat een amateurarcheoloog dagelijks aanwezig is om alvast beerputten te lokaliseren die dan in het weekend of op avonden door andere geïnteresseerden leeggehaald konden worden!!! Ze geven wel aan dat beerputten leeghalen een specialisme is. In het artikel komen teksten voor die duidelijk uit de pen van R.v.B. komen en waaruit op te maken is dat hij de kritiek die ik vele malen had ter harte heeft genomen want die kritiek weet hij mooi te verwoorden in zijn tekst. Ideeën en opmerkingen van mij zie ik dan ook regelmatig in zijn teksten terug. Tja. Maar eerlijk is eerlijk; op blz. 133 is te lezen: “het zorgvuldig uitpluizen van de beer, een in ‘kwalijke geur’ staand archeologisch specialisme was vooral te danken aan ons lid E. Dikken. Deze had al enige ervaring opgedaan met dit soort onderzoek. Het was voor het eerst dat toen beermonsters voor onderzoek op zaden en pitten werden genomen. Het was ook de eerste keer dat een detector voor het opsporen van metalen voorwerpen bij ons (!) onderzoek werd ingeschakeld”. Verder worden de vondsten uit de dolkput van de Ossenmarkt beschreven en vermeldt de schrijver “De glasbeker die tot soms heel kleine, zeer dunne stukjes uiteen was gevallen, is met veel geduld en kundigheid door E. Dikken gerestaureerd. Alleen al het uit de beer verzamelen is een arbeidsintensief en geduld vergend karwei”. Over de opgraving aan de Spoelstraat (nieuwe bibliotheek) weet de schrijver te melden dat er dankzij de resultaten in de jaren er voor van de werkgroep (waar R.v.B. het steeds over heeft) een financiële regeling kon worden getroffen die bijgedragen heeft tot een fraai resultaat van het onderzoek”. Over die opgraving geen woord dat IK diegene was die de leiding kreeg maar toch wordt er nog de vermelding gedaan “dat er dankzij de activiteit van E. Dikken en anderen nog vele voorwerpen geborgen konden worden”. In het hele artikel is te bemerken dat R.v.B. zijn stempel erop gedrukt heeft en aannames die hij in het verleden al eens gedaan heeft van stal weet te halen om er een mooi verhaal van te maken. Aannames die ik in verschillende artikelen op deze site bekritiseerd heb met feiten en veel bewijzen. Het artikel van R.v.B. en Vincent van Vilsteren was meer een reclameboodschap voor de aanstelling van stadsarcheologen. En wat ik al eerder schreef: gebruik makend van mijn opmerkingen en ideeën.

In latere verslaggeving, nadat ik niet meer in beeld was, van archeologische vondsten valt het mij op dat meer personen mee mochten schrijven met Verlinde en R.v.B. en kwamen er ook artikelen waar alleen maar een naam van bijvoorbeeld Bruins of Hasselt onder staat. Blijkbaar hebben ze toch iets geleerd van mijn “lastige” vragen over waarom alleen zij publicaties mochten maken!

Dat er stiekem gedaan werd m.b.t. de aanstelling van een afgestudeerde archeoloog was nog tot daar aan toe maar mij dan voorhouden dat ik in aanmerking kwam als assistent (Verlinde wist zich geen betere) is erg achterbaks. Vanaf het moment dat de opgraving op het terrein van Kasteel Voorst 1 plaatsvond is er achter de schermen gelobbyd voor een stadsarcheoloog. Zolang die nog niet aangesteld was mocht ik het smerige werk doen en konden voornoemde personen verder gaan met hun publicaties. Afspraken die met mij gemaakt waren dat ik de vondsten mocht houden bleken van korte duur als ik bijzondere voorwerpen aantrof. Dit alles heeft u in de hoofdstukken kunnen lezen. Afspraken zijn er om nagekomen te worden maar blijkbaar niet bij deze mensen. Dat er dan irritatie ontstaat is niet verwonderlijk maar ligt dat dan alleen aan mij?? De bemoeienis van Frits Zeiler als cultuurmedewerker bij de provincie Overijssel is ook iets dat uitleg behoeft. Hij had contacten met de vereniging Overijssels Recht en Geschiedenis waar R.v.B. in de redactie zat en vanaf 1982-1983 is die culturele raad bezig geweest om de archeologie naar zich toe te trekken door bestuursfuncties in te nemen bij de A.W.N. maar ook om mij later in een kwaad daglicht te plaatsen. Toen alles escaleerde heeft Zeiler in samenwerking met R.v.B. en Verlinde zelfs geprobeerd om mij te laten royeren als lid van de A.W.N.! Gelukkig had het hoofdbestuur twijfels over mijn schuld zoals Zeiler dat aan hun schreef en gingen zij niet over tot royering. Ja u leest het goed, uitschakelen die lastige jongen. En zoals ik in mijn teksten al aangaf: het is toch raar dat ik later als illegaal betiteld werd terwijl ze wel mijn gegevens etc. al die tijd aanvaarden en mij zelfs voordroegen om de opgraving te leiden aan de Spoelstraat. Komt dit alles bij u dan ook niet vreemd over?
Toen ik in 1989 mijn Zwols Archeologisch Dagboek uitgaf was de afspraak, en die was op papier gezet!, met de toenmalige voorzitter van de Zwols Historische Vereniging, Jaap Hagedoorn, dat er een folder over het boek bij het tijdschrift ingesloten zou worden. Na het verschijnen van het boek bleek echter dat de folder er niet in zat! Ook de Vereniging van Overijssels Recht en Geschiedenis wilde de folder niet bijsluiten! Omdat er bezwaar gemaakt was! Wie bezwaar gemaakt had is mij nooit verteld. Ik heb mijn lidmaatschap opgezegd omdat ik van zulke verenigingen geen lid meer wilde zijn. De toenmalige burgemeester Loopstra sprak zijn buurman in de Walstraat, Gert Oostingh, op een avond en zei dat hij opdracht had gegeven aan de toen net aangestelde stadsarcheoloog Hemmy Clevis om met mij in gesprek te gaan. Daar is nooit wat van gekomen en als ik de woorden van Paul Rademaker mag geloven, Clevis was een keer bij hem op bezoek, vertelde Clevis hem met tranen in de ogen dat hij opdracht had gekregen van de directeur van de Rijksdienst, Van Es, om niet met mij te praten. Hij was aan handen en voeten gebonden zoals hij zei.
Dat had natuurlijk te maken dat Van Es zijn vriend R.v.B. en Verlinde niet over de tong wilde laten gaan. Alles wat nu bij opgravingen ontdekt wordt en afwijkt van de tot nu toe door verschillende personen verkondigde en geschreven visie, zal het voetstuk waarop deze personen staan aantasten. Of moet ik stellen “wat ze zelf niet ontdekt hebben of zijn geworden projecteren ze op anderen door ze tegen te werken”? Dat Clevis ook boter op zijn hoofd heeft is te lezen in de IJsselmond van 28 augustus 1991. Hij laat daarin opschrijven “dat er een stadsarcheoloog werd aangesteld omdat er onderlinge problemen waren tussen amateurarcheologen”!

Het meeste is nu wel door mij beschreven maar één ding wil ik nog onder de aandacht brengen: ik heb een aantal malen geschreven dat R.v.B. ook veel goeds gedaan heeft voor de archeologie. Hij bestudeerde vele oude geschriften en publiceerde dan de gegevens daaruit met zijn aannames waardoor anderen weer verder konden met hun onderzoeken. Stadskernonderzoek was echter zijn ding niet maar hoe hij dat naar zich toe wist te trekken en op welke wijze dat is geschied, heeft u kunnen lezen. Jammer is dat velen dat nu nog niet in de gaten hebben en dat ik daardoor een baan maar ook een stuk plezier in het leven kwijt ben geraakt. Dat er een stichting is opgericht die zijn naam draagt vind ik een smet op de archeologische wereld. Maar misschien heeft u een andere mening? In ieder geval ben ik blij dat u mijn teksten tot hier gelezen hebt en kunt u niet zeggen van ik wist het niet.

Ik ben nu aan het einde gekomen van mijn verslaggeving over de periode dat ik werkzaam was en waarnemingen deed m.b.t. de archeologie. Mijn dossiers loop ik voor de laatste maal door. Kom ik nog iets tegen dat ik belangrijk vind dan zal ik dat later aan de artikelen op de site toevoegen. Alles wat ik niet meer belangrijk vind ruim ik op want sinds het moment dat mijn Z.A.D. in 1989 is uitgekomen is er niemand van de ‘geïnteresseerden’ geweest die belangstelling heeft getoond voor de rest van mijn gegevens. Dus blijkbaar nemen zij genoegen met mijn verslaggeving. Officiële documenten en verschillende gegevens over N.A.P.-hoogtes bewaar ik zodat altijd nog de mogelijkheid bestaat om die in te zien. De ruim 4000 door mij gemaakte dia’s zijn digitaal gemaakt en staan op de schijf en voor een ieder in te zien. Voor de rest wens ik u een fijn en gezond leven toe.

bord En zoals ik ook geëindigd ben in Z.A.D. 1 laat ik hier het bord zien dat in de oude Schepenzaal van het stadhuis in Zwolle hangt. De vertaling van de Latijnse tekst is “Hoort en Wederhoort”. Jammer is dat het gebruik van horen en wederhoor in de wereld waar ik zoveel kritiek op heb nog niet is doorgedrongen.