Inhoudsopgave


OSSENMARKT 1982

Hof van Zwolle. Juni-september 1982. Na de sloop van de gebouwen geholpen door Jens van Stralen, Jaap van de Berg, Arnold Carmiggelt en R.v.B.


Buiten een opgraving in 1973 bij het Celecomplex en het Stadhuis was er in Zwolle nauwelijks archeologisch stadsonderzoek gedaan. Graven in de grond om oude beerputten te ontdekken of oude stortlagen te vinden was zwaar en smerig werk en niet iedereen vond dat werk bij zich passen. Totdat Egbert in 1982 op het toneel verscheen!

In het ‘Hof van Zwolle’, tussen Kamperstraat en de Peperbuskerk, zouden appartementen komen voor bejaarden. De schuren en aanbouwsels van de bestaande huizen aan de Kamperstraat zouden worden gesloopt. In een gesprek met provinciaal archeoloog Ad Verlinde, als vertegenwoordiger van de Rijksdienst (R.O.B.), vertelde hij “voor dat soort projecten geen geld maar ook geen tijd te hebben”. Ook wist hij niet of andere personen interesse hadden om dat werk te doen. Bij dit gesprek was ook Ruud van Beek (R.v.B. of Ruud) aanwezig. Verlinde en R.v.B. hadden mij leren kennen tijdens de opgraving op het terrein van Kasteel Voorst 1 en in Hoonhorst, als een harde werker met kennis van zaken zoals zij zelf zeiden! Er werd besloten dat R.v.B. bij de ‘Stichting Bejaardenhuisvesting’, die eigenaar van de grond was, zou vragen of ik onderzoek mocht doen in de bouwput. Verlinde en R.v.B. wisten dat ik als zelfstandige ondernemer in de antiekhandel werkzaam was en o.a. bodemvondsten restaureerde en verhandelde. Mijn verleden was dus bij hun bekend en in dat gesprek werd de afspraak gemaakt dat indien de eigenaar van de grond geen bezwaar maakte de eventuele vondsten mijn eigendom zouden worden. Veel werd er door hun niet verwacht van de Ossenmarkt maar als er wel vondsten gedaan werden wilden ze dat graag weten. Ik moest maar naar eigen inzicht te werk gaan. Verdere restricties kwamen niet aan de orde en de deal tussen ons werd gemaakt!


Deze foto is door mij gemaakt na afloop van de opgravingen toen men bezig was om de funderingen te leggen voor de appartementen voor bejaarden. Hier een doorkijkje vanaf de Kamperstraat richting de Peperbuskerk- Van Hattumstraat.
Dat op deze plaats een doorbraak in de huizenrij zou plaatsvinden was niet bekend bij Verlinde en R.v.B..


Opmerking 2012: Dat Verlinde mij toestemming gaf om op de Ossenmarkt het werk te doen had er mee te maken, zoals ik dat achteraf kan inschatten, dat in februari -maart 1982 de opgraving van het Kasteel Voorst had plaats gevonden. Samen met R.v.B. waren ze bezig om die gegevens te verwerken voor een boek en er moesten nog verslagen g emaakt worden voor de R.O.B. etc.. De opgraving in de Buurschap Emmen bij Hoonhorst, eind mei begin juni 1982, was net achter de rug en moest ook nog verwerkt worden. In juli, vlak na de bouwvak, heb ik ook nog meegeholpen bij de opgraving in Wythmen waar Karolingisch materiaal was ontdekt en waar we ook nog een Laat Middeleeuwse boomstamput vonden. Ook van deze uitgebreide opgraving moest nog een artikel gemaakt worden. Verlinde en R.v.B. waren daar druk mee en natuurlijk al lang blij dat er iemand was die HUN werk uit handen kon nemen zodat zij zich bezig konden houden met publicaties schrijven. Dit was volgens mij de werkelijke reden waarom zij geen tijd wilden vrijmaken voor een opgraving op de Ossenmarkt! Daarom ook waren zij tijdens mijn opgraving daar nauwelijks aanwezig. Toen ik echter interessante zaken begon te vinden, en dat aan hun meldde, moesten zij van narigheid achter hun schrijftafel vandaan komen. Goh, stoorde ik ze ook nog! Als ik mij niet aangeboden had was er niets op de Ossenmarkt in de gaten gehouden en waren vondsten/gegevens ook niet bekend geworden. Niets meer en niet minder.

Begin juni ben ik een aantal keren op de Ossenmarkt wezen kijken toen verschillende gebouwen werden gesloopt. Contact gezocht met het slopersbedrijf Mensink en bouwonderneming Schutte maar niemand wist iets van een verzoek om ‘archeologisch onderzoek’ te mogen doen! Geen Ruud te zien en ik ben toen naar zijn huis in de Waterstraat gegaan om eens te informeren of hij al iets geregeld had. Hij moest dat nog doen! Tja! Ruud vertelde later dat hij gebeld had met dhr. Smit van de stichting en die had hem gezegd dat hij de eventuele vondsten claimde. Ik heb toen gevraagd of dhr. Smit bereid was om mij te betalen voor de uren dat ik daar aanwezig was en een betaling zou doen ook als er niets gevonden werd? Ik heb tegen Ruud gezegd dat Smit anders zelf maar moest gaan graven. ‘Eerst maar eens kijken of er wat te vinden valt en daarna zien we wel’ gaf Ruud nog aan. Ik zei dat ik eerst wilde weten waar ik aan toe was.
Ruud heeft toen blijkbaar toch met dhr. Smit iets kunnen regelen want ik kreeg toestemming om in de bouwput onderzoek te doen. Over de vondsten werd niet meer gesproken alleen merkte Ruud op: ‘dat het museum ook aan zijn trekken moest komen’! Waarop ik antwoordde dat hij dan maar voor de financiën van eventuele aankopen moest zorgen. Dat zou hij regelen! Verder kwam hij met het gegeven (nogmaals) dat het R.O.B. (Verlinde dus) geen belang en tijd had voor een onderzoek ter plekke. (Heeft hij dhr. Smit verteld dat alle vondsten naar het museum zouden gaan om zodoende toestemming te krijgen? Wilde Ruud wel dat ik de opgraving deed? Kon hij niet verkroppen dat ik toestemming van Verlinde had gekregen en lag hij daarom steeds dwars? Deze situatie deed mij, toen ik Z.A.D. 2 maakte, denken aan de problemen die ontstonden tussen R.v.B. en o.a. mijn persoon tijdens de opgraving in de bouwput voor de nieuwe bibliotheek aan de Spoelstraat eind 1984. Daar had ik de leiding, wat afgesproken was in het vooroverleg tussen Verlinde, A.W.N. en R.v.B.! Toch maakte R.v.B. daar allerlei problemen.
Zoals u kunt lezen in 1982 deed ik in de periode dat ik de werkzaamheden bij de Ossenmarkt in de gaten hield ook nog waarnemingen of opgravingen bij de Badhuiswal en in de Museumtuin. In juli nog meegeholpen met het graven in Wythmen en direct daarna weer naar de Ossenmarkt waar ze aardig opschoten met de sloop. Ruud was toen natuurlijk bezig om ook die opgraving bij Wythmen te verwerken want ik zag hem zelden.

Ik heb Ruud gevraagd om eens op de sloop te komen kijken want er kwamen veel kloostermoppen tevoorschijn. Deze werden afgevoerd naar de stortplaats ‘Westerveld’! Dat vond ik zonde en ik had er intussen al tientallen verzameld en op een hoop gegooid. Ik vroeg aan Ruud of hij contact op wilde nemen met de monumentendienst. Ruud is toen weggegaan en ik heb hem een aantal dagen niet meer gezien! Maar hij belde ook niet! Ik baalde daar van. Omdat de uitgezochte stenen al een behoorlijke stapel was geworden had de sloper er last van en vroeg wat ik er mee wilde. Omdat ik maar niets van Ruud of de monumentendienst hoorde heb ik toen de sloper maar gezegd dat hij ze op moest gaan ruimen en ben ik verder gegaan om de sloopwerkzaamheden in de gaten te houden.
Later hoorde ik dat iemand van de monumentendienst tegen Ruud gezegd zou hebben of WIJ (had Ruud zichzelf ook als werker daar aangemeld?) de kloostermoppen niet konden verzamelen voor hun! Niet te geloven hé. Ik, als onbezoldigde vrijwilliger! Bekijk het dan maar. Waarschijnlijk dacht Ruud wel dat ik door zou gaan met het verzamelen van de stenen en dat de dienst die dan zo op kon halen en dat hij dan bedankt zou worden. Toen Ruud zich na een aantal dagen weer liet zien vroeg hij waar de stenen gebleven waren. Ik antwoordde hem dat ze op Westerveld lagen en dat ik wel wat anders te doen had. Ik probeerde hem uit te leggen dat de stapels stenen de slopers in de weg lagen en dat ik van hem verwacht had dat hij mij op de hoogte zou brengen hoe het afgelopen was met het onderhoud bij de Monumentendienst. Hij werd ziedend en was totaal niet voor rede vatbaar en in zichzelf pratend verliet hij de Ossenmarkt!

Na anderhalve week kwam hij terug en was gepikeerd dat hij er niet bij was geroepen toen de slopers dieper de grond ingingen. Hij blafte dat de bouwmedewerkers en mij gewoon toe!!!! Waarom komt Ruud zelf niet elke dag even kijken? Ik ben er toch ook!!! Zover woonde Ruud niet van de bouwput af. Attent zijn bij sloopwerkzaamheden is van belang om later in de bouwput beter onderzoek te kunnen doen. Blijkbaar ligt hem het sloopwerk niet of zal het te min voor hem zijn geweest? Of was de werkelijke reden toch die welke ik hiervoor al aangehaald heb? Tijdens deze momenten kreeg ik al het gevoel dat ik gedoogd werd maar dat ik steeds als loopjongen naar zijn (hun) pijpen moest dansen! Als hij zijn zin niet kreeg was er geen land met hem te bezeilen.

De aannemer beloofde Ruud een plek om die apart te kunnen onderzoeken. Toen de machines op die plek aan het werk zouden gaan was Ruud er niet en ben ik naar zijn huis gegaan. Zijn vrouw vertelde dat hij met een reisje van het kadaster mee was! Zonder ons iets te zeggen!!! Wel steeds zeuren en als het er op aankomt is hij er niet! De aannemer, opzichters, slopers en mensen van de bouw, hadden het dan ook met hem gehad en ik kreeg de sleutel van de schuttingdeur. Ik wil hier nog opmerken dat Ruud, als hij morgens eens kwam, pas aanwezig was tegen half elf nadat hij thuis koffie had gedronken. Zelf was ik al vanaf 7 uur op de sloopplek aanwezig. Tussen de middag ging hij 1½ uur thuis eten en in de middag ging hij op zijn gemak nog een keer thuis theedrinken. Jens en ik moesten ons maar redden!
Als er meerdere personen op de bouw verschenen om mij te helpen maakten zij gebruik van mijn gereedschap. Waterpomp, emmers, schoppen, troffels, breekijzers, detector, etc.. Mijn auto moest ik dan ook in de buurt hebben maar aan het eind van de opgraving kreeg ik nog wel een bekeuring omdat die auto op het gras stond! Tijdens de opgraving waren een zaklantaarn, troffel, breekijzer en schop verdwenen! Deze kwamen dus ook voor mijn rekening! Tja, die bekeuring: al die maanden parkeerden de bouwmensen en ik de auto’s opzij van de Peperbuskerk op het gras. Op de laatste!! dag van de opgraving bleek een overijverige politieagent ons voorzien te hebben van een bekeuring omdat wij over het trottoir hadden gereden om op dat gras te kunnen komen! Zoiets noemen ze een mierenneuker. Achteraf bleek dat de kerk een vergoeding claimde bij de bouwondernemer voor het platrijden van het gras en de gemeente wilde een vergoeding omdat parkeerplaatsen door een bouwkeet waren ingenomen. Ik was gewoon op dat moment op de verkeerde plek maar moest wel betalen in tegenstelling tot de bouwopzichters waarvan de bekeuring verscheurd werd!!! Verschil moet er zijn nietwaar?

Een andere plek die Ruud graag wilde onderzoeken was in de hoek Ossenmarkt, achter de huizen van de Kamperstraat-Korte Kamperstraat, waar de beeldhouwer v.d. Wiele zijn atelier had. Ruud bleek opdracht gegeven te hebben om met de machine een gat te graven maar de rekening van 174,64 gulden moest ik later afrekenen en zou ik kunnen declareren bij de museumaankopen volgens hem!
Ruud vroeg of wij wilden helpen om dat atelier leeg te halen want v.d. Wiele kon dat zelf niet meer gezien zijn leeftijd. Achteraf bedacht ik mij of het geen afgesproken werk van Ruud was omdat hij, als amateurschilder, v.d. Wiele goed kende. Een onderzoek heeft namelijk op die plek nauwelijks plaatsgevonden! Waarschijnlijk ook omdat er toen buiten Jens en mij niemand van de A.W.N. aanwezig was! Had Ruud een plan in zijn hoofd dat niet uitgevoerd kon worden en waarvan wij niets wisten? Toen Jens, v.d. Berg en ik R.v.B. er op aanspraken waarom er geen hulp was gekomen vertelde hij dat de machine daar een dag te vroeg begonnen was met graven!!


Uit een put vlakbij het elektriciteithuisje daar ter plaatse kwamen nog een wijnfles, medicijnflesjes, zalfpotten en een stuk glas, waar een wapen op te zien was, tevoorschijn. De datering ± 1720.


De volgende dag bleek Ruud gebeld te hebben en kwamen een zekere Aves en ene Richard (jonge jongens) opdraven. Zij hielpen die dag met het graven maar namen na afloop alle vondsten mee! Daar nooit meer iets van vernomen! Rare zaak. Ik weet niet eens wat ze gevonden hebben! Na anderhalve week alleen met Jens gewerkt te hebben kwamen Ruud en v.d. Berg weer eens opdagen en had Ruud Arnold Carmiggelt meegenomen. Later is Arnold nogmaals een dag in de bouwput geweest. Arnold was toen bestuurder van de A.W.N. en Ruud wilde hem blijkbaar laten zien welke werkzaamheden hij! wel allemaal deed!
Op een donderdag werd een begin gemaakt om een oude kluis van de Technische Unie, aan de zijde van de Kamperstraat, te verwijderen. De kluis werd met veel moeite uit de grond getrokken en toen bleek waarom dat zo moeilijk ging. Aan de zijkanten waren metalen staven aan de kluis gelast en dat was in beton gegoten!!! De kluis werd vlakbij de rand van het ontstane gat gelegd en met een trilbeitel aan de dragline werd geprobeerd om het beton er af te halen. Niet te geloven welk lawaai zo’n ding kan produceren! De betonresten kwamen aan de rand van het 4 m. diepe gat te liggen. Het was toen moeilijk en ook gevaarlijk voor mij, door de trillingen, om dat gat in te gaan maar ik had al wel een signaal dat er onderin waar de kluis gezeten had, een put zat. Ik zag namelijk materiaal liggen maar kon er niet bijkomen omdat de kans op instorting van de wanden te groot was. De vrijdag bracht geen verandering in de situatie. Omdat er af was gesproken dat wij de bouwwerkzaamheden niet mochten hinderen zat er niets anders op dan zaterdags terug te komen want maandags zou op de plaats waar ik het materiaal gezien had, het sloop en graafwerk weer verder gaan. Mijn medehelpers gebeld maar blijkbaar was het weer te mooi om vrijwilligerswerk te doen want niemand was bereid om te komen helpen. Of vonden ze het te gevaarlijk? Gelukkig mocht ik van de opzichters tijdens het weekend in de bouwput en omdat ik de sleutel van de schuttingdeur had was er verder geen probleem. Anders had ik niets kunnen doen. Vrijdags, nadat de slopers weg waren de meeste puinresten van het beton, dat aan de rand van het gat lag, weggehaald en daarmee gestopt toen het donker werd.

Op zaterdag voorzichtig in het diepe gat naar beneden gegaan. In de wanden kon ik zien dat de helft van de stenen beerput al weg was gegraven maar onderin zag ik nog materiaal liggen. Op de bodem was al grondwater en liggend in dat water heb ik er een 14e eeuwse grape uitgehaald. Omdat ik bang was dat de wanden in zouden storten heb ik met wat losse planken enkele stutten aangebracht en toen voorzichtig verder gegraven. Moet u zich eens voorstellen: helemaal verblind omdat er 14e eeuws materiaal te vinden was wil je de risico’s niet zien! Liggend op de zij in het water en dan met een arm, tot aan de schouder, steeds verder in de beer om daar op de tast scherven uit te halen met boven je vier meter zand en puin! Op een gegeven moment zag ik iets glinsteren en dacht aan zilveren voorwerpen. Het bleek achteraf om scherven te gaan van het prachtige groene loodglas dat op de buitenzijde een mooie “irisatie” bleek te hebben. Stukje voor stukje heb ik het grootste gedeelte van het glas veilig kunnen stellen. Wel bedacht ik mij nog dat als de boel ingezakt was en ik klem was komen te zitten wie mij dan zou komen redden! Toen ik later mijn vrouw over deze opgraving vertelde was zij daar niet zo gecharmeerd van. Maar ja, als ze alles eens wist welke risico’s er allemaal aan een opgraving verbonden zijn!!
Uit deze put verschillende voorwerpen die gedateerd konden worden zo rond 1350. Ik noem er een paar: Siegburgkannen, een kloten- of nierdolk, zilveren plak met het dubbele kruis en als topper de scherven van het gifgroene loodglas. Het dubbele kruis is beschreven op deze site en het 14e eeuwse glas met de bijvondsten wordt nog beschreven. De meeste andere vondsten uit die put zijn later naar het museum gegaan. Over het in de put gevonden blauw-grijze aardewerk en een latere opgraving in 1983 waar de rest van dat soort scherven gevonden werden is onder chatgraver al verslag gedaan.

Toen ik de vondsten zaterdags bij Ruud gemeld had en hij daar met verbazing kennis van had genomen, belde hij mij zondags of ik bij hem wilde komen. Aanwezig was toen ook Arnold Carmiggelt. Ruud vertelde dat hij Verlinde van mijn vondsten op de hoogte had gesteld en die had aangegeven dat alles van vóór 1600 naar hem (R.O.B.) moest en van belang was en alles wat jonger was had hij geen interesse voor!!!! Ik verbaasde mij en vertelde Ruud waarom. Eerst hadden ze totaal geen tijd en belangstelling en mocht ik de eventuele vondsten houden en nu ik vroege dingen had gevonden zou ik die af moeten staan aan de Rijksdienst!!! Die is gek! Ruud en Arnold wilden de dolk voor het museum hebben. Effe wachten heren! Na overleg de oplossing gevonden. Eerst de opgraving afmaken en kijken welke vondsten er nog meer gedaan worden en pas daarna zou Ruud bij mij thuis spullen komen uitzoeken. Die voorwerpen zouden dan door het museum betaald worden zoals ik met R.v.B. vóór de opgraving had afgesproken. Met deze afspraak konden ze leven. Uit dit alles blijkt wel hoe zij zich op de locatie hadden verkeken. Totaal geen inzicht en wat er komt kijken m.b.t. stadsarcheologie. Tja, als je plastic handschoentjes aantrekt omdat je bang bent om smerige handen te krijgen is het natuurlijk fijn als een jongen als Egbert de vondsten ‘even’ naar boven haalt uit de beerputten. Voor ze werken, vondsten afstaan, informatie verschaffen zodat ze weer een publicatie kunnen maken met HUN naam er onder.

Een week later, donderdag 2 september, kwam er in de bouwput plotseling een gigantisch grote beerput tevoorschijn met daaromheen een afvallaag. Op het zelfde moment waren toevallig aanwezig dhr. Smit van de stichting, de prov. arch. Verlinde, die zich eens liet zien, dhr. Pietersen van de firma Schutte en natuurlijk de opzichters van de bouw. Deze stonden gezamenlijk toe te kijken hoe wij in de bouwput alles in de gaten hielden. Aanwezige ‘hulpen’ op dat moment: Jens, Jaap, Arnold en Ruud. Omdat de draglinemachinist haast had draaide hij de afvallaag weg en deponeerde die op een vrachtauto. Ik attendeerde Jens daarop en die sprong op het wiel van de vrachtauto zodat hij in de bak kon kijken. Een halve 16 eeuwse Baardmankruik griste hij nog net weg voordat de auto ging rijden.




Terwijl de dragline bezig is om de muren te verwijderen zijn op de voorgrond Arnold Carmiggelt, links, en Jaap v. d. Berg al bezig om vondsten te verzamelen. Jens v. Stralen kijkt van boven toe en ik zelf geef de draglinemachinist aanwijzingen. Vlak hierna kwam de regen met bakken naar beneden. De linkerfoto is gemaakt door R.v.B. of Verlinde en de rechter door Jens v. Stralen. Rechts laat Arnold al triomfantelijk een 17 eeuws bord aan de heren, die toekeken, zien.


De beerput had een ronde gemetselde kop waarop een deksel/sluitsteen te zien was. De ronde kop van de put werd er door de dragline afgehaald en toen kwam er o.a. een pijpenkop te voorschijn met een vrij lange bewerkte steel. Een opzichter vond deze leuk en mocht hem hebben. Niemand van de aanwezigen maakte bezwaar! De pijp was uit de periode van rond 1615. Bij de pijp was er ook een troffel tevoorschijn gekomen die waarschijnlijk als laatste in de put geworpen was. Misschien is de troffel wel gebruikt om tras (een soort cement van hoofdzakelijk gemalen schelpen en kalk) op de opening van de put te leggen. Nadat de tras was aangebracht is de troffel in de put geworpen en de deksel/sluitsteen aangebracht. Waarom zo afgesloten? Ziekte in het huis waar de put bij hoorde? Wilden de bewoners daarom de put niet leeghalen en opnieuw in gebruik nemen?
Of de afvallaag er eerder was dan de beerput heb ik niet goed kunnen vaststellen maar gezien de 16 eeuwse Baardman uit die laag is dat niet onmogelijk. Omdat de eerste vondsten uit de put zo rond 1610-15 waren is waarschijnlijk de verklaring dat de beerput later is ontstaan dan de afvallaag. Dus heeft men de afvallaag doorgraven om de beerput te metselen.