Inhoudsopgave


Pletterstraat

Vanaf maart tot en met mei 1983. Foto’s: Jens van Stralen, R.v.B, Jaap v d Berg en van mijzelf.


Bij de Vijfhoek had ik R.v.B., als veldcoördinator van de A.W.N. en R.O.B. correspondent, er opnieuw op geattendeerd dat we het project ‘Pletterstraat’ in de gaten moesten houden. Daar zouden werkzaamheden plaatsvinden in 15 eeuwse panden en wie weet wat daar tevoorschijn zou komen. Ruud gaf toen aan dat hij geen tijd had! Ook bleek later, toen de dragline plotseling in de Pletterstraat verscheen, dat R.v.B. geen contact met de firma had opgenomen terwijl we in februari al afgesproken hadden dat hij dat zou gaan doen! Daarom nam ik zelf het initiatief om met de bouwmensen te praten en meteen een paar vrienden, Jens van Stralen en Jaap v.d. Berg, gevraagd heb om mij te helpen.
Tijdens de sloop van de gebouwen bracht ik elke avond verslag uit aan R.v.B.. Tijdens het leeghalen van de beerputten was hij sporadisch aanwezig. Omdat het erg smerig, gevaarlijk en zwaar werk was had hij natuurlijk niet veel interesse maar toen wij een grote ronde muur vonden en dat misschien wel eens de fundering van een toren kon zijn, was zijn interesse gewekt! Als het interessant werd zag je hem verschijnen maar voorwerk, dat hij moest doen en waarvan anderen altijd dachten dat hij dat regelde, was er voor de zoveelste keer niet bij! Langzamerhand begon dit tot ergernissen te leiden, en niet alleen bij mij.


pletterstraatpletterstraat

Zoals u op de afbeeldingen kunt zien stonden de panden in een ijzeren frame voordat de sloop begon. Elke muur die bleef staan leverde namelijk subsidie op. Dat het niet haalbaar was om alle muren te laten staan bleek toen een storm er voor zorgde dat een buitenmuur, omdat de kabels niet aangetrokken waren om lazerde. Ik had de bouwmensen de vrijdag voor het stormweekend er nog zo voor gewaarschuwd! Ook moest men om de fundering te maken gaten boren binnen in de huizen maar die machine kon alleen ter plekke komen als er muren weggehaald werden!! Op het laatst stonden er alleen nog de buitenmuren en een enkele binnenmuur en bleef er weinig origineel muurwerk over maar waarschijnlijk was dat de bedoeling ook wel. Dus was het oppassen geblazen met zo’n wankele constructie.


pletterstraatpletterstraat

Op verschillende plaatsen in de hoeken van de huizen deed ik onderzoek met de prikstok en ontdekte ik beer of waterputten. De bouw was daar niet ongelukkig mee want op die plaatsen moesten namelijk gaten geboord worden. In die gaten zou dan beton gestort worden voor de funderingspalen. Als ik de putten niet ontdekt had waren er problemen ontstaan bij het boren en was de kans groot dat de boor zou knappen. Opmerking 2012: in 1984 gebeurde dat ook in de bouwput voor de nieuwe bibliotheek aan de Spoelstraat (zie in het filmpje na 36 seconden). De afgeknapte boor is daar te zien. Er werd precies bovenop een tussenmuur van twee oude beerputten geboord ondanks dat ik van die muur melding had gemaakt. Tja! Omdat de bouw blij was met mijn ontdekkingen kreeg ik redelijk de tijd om de putten te onderzoeken en het eventuele materiaal er uit te halen voordat de putten verwijderd werden. De meeste putten waren rond met een bolle gemetselde afsluiting en een enkele put bestond uit een houten ton. Bij één gemetselde put bleek daaronder nog een houten put te zitten. Jammer genoeg waren vele putten wel gevuld met oude beer maar bevatten nauwelijks materiaal. Monsters van de beer en houtresten zijn via R.v.B. naar Vincent van Vilsteren gegaan voor onderzoek.

Op een dag kwam R.v.B. eens polshoogte nemen. Aan zijn handen de plastic zakjes. Nadat hij geconstateerd had dat het werk, maar ook de smeerbende niet zijn ding was, hem een hele tijd niet meer op de bouwplek gezien. Waarschijnlijk te druk met de teksten voor zijn verenigingsbladen en voor het boekje over het Kasteel Voorst?


pletterstraatpletterstraat pletterstraat

pletterstraat

Hierboven en links zijn afbeeldingen zijn van een gevonden beerput in de hoek van een pand. De kop moest eerst verwijderd worden om er in te kunnen. Door het grondwater was de inhoud in een drabbige massa veranderd maar mijn waterpomp deed goed dienst!

Het 17e eeuwse scherfmateriaal (rechts) dat in de put aanwezig was is in eigen atelier gerestaureerd.

scherfmateriaal

Medewerking van de firma Beverwijk was onontbeerlijk maar vooral de heren Jolink en Herman van de SAVO wil ik hierbij nog bedanken.

Wat mij bij is gebleven was dat er beton in de geboorde gaten gestort zou worden maar dat door de opwaartse druk van het grondwater, doorboring van kleilagen!, het beton er weer uit werd geperst! Later hebben ze massieve betonpalen geplaatst.

Onder een muur kwamen twee gebroken potten tevoorschijn die waarschijnlijk als bouwoffer dienst hadden gedaan. Materiaal dat uit de verschillende putten kwam dateerde vanaf de 15e tot in de 19e eeuw. In het Z.A.D., hoofdstuk Schoeisel bij nr.2, is een 16e eeuwse schoen beschreven. In de inleiding heb ik al uit de doeken gedaan hoe dat schoentje in de publiciteit kwam.



Nadat de keldergewelfen weggehaald waren kon er pas verder gekeken worden. Normaal kun je met de schop een vlak maken en zie je eventuele verkleuringen maar hier was dat niet mogelijk omdat veelal beton of tegels verwijderd moesten worden en haast geboden was. Is het beton of zijn de tegels (plavuizen) verwijderd dan pas kun je verder onderzoek doen. Met een dunne staaf ijzer, waaraan een punt geslepen is, probeer je in de grond te prikken. Door de staaf op verschillende plekken in de grond te duwen bemerk je of er weerstand is en meestal duidt dat er op dat er een fundering of put aanwezig is. Bij stenen is dat erg makkelijk want daar stoot je echt op maar als het om een houten put gaat dan kan het grondwater zijn werk al gedaan hebben en is het hout zacht en prik je er met de staaf snel doorheen. Dus opletten geblazen. Is er een weerstand ontdekt dan zal er gegraven moeten worden om te kijken wat het is.


Zoals u op de afbeeldingen kunt zien is het geen schoon werk en niet van gevaar ontbloot.





pletterstraatpletterstraatpletterstraat

Bij deze gemetselde beerput bleek dat er een waterput gemaakt was die uitmondde binnenin de oude beerput! Niet vreemd dat het water ongezond was en de bewoners ziek werden!


pletterstraatpletterstraatpletterstraat

pletterstraat

Met Jaap v. d.Berg, in de bittere kou, bezig om aan de achterzijde van de panden de verschillende grondlagen bloot te leggen. Tijdens dat graven stuitten wij op een muur die een ronde vorm had en waarbinnen zich een grote put bevond. De put was 3,5 meter diep en had een diameter van 1,70 cm. Dhr. Kroeze van Monumentendienst is er door R.v.B. nog bij gehaald maar hij had ook geen verklaring voor deze muur. De gegevens zijn door hem genoteerd.

pletterstraat

Interessant was verder dat het gevonden steenformaat van de muur, 7 x 14 x 27/28 cm, gedateerd is door Dirk de Vries (de tweede besmette jongen) als zijnde 2e helft 14e eeuw. Ik wil hier iets aan toevoegen: buiten het gegeven dat diezelfde Dirk de Vries de steenformaten, die wij vonden tijdens de blootlegging van de onderaardse gang in de kelder van het Klooster Windesheim, als veel jonger dateerde werd het steenformaat 7 x 12/13 x 26/27 tijdens de opgraving van het Kasteel Voorst 1 op verschillende plaatsen gevonden. Zelfs voor de fundering van de noordmuur van de voorburcht waren zij gebruikt! Het steenformaat 7,5 x 15 x 30 cm, dat ook veel aanwezig was tijdens die opgraving, wordt in Salland als 13e eeuws gezien volgens prov. archeoloog Verlinde in het boekje over de kasteelopgraving. Beide formaten zijn in 1978 in een steenoven gevonden die vlak bij het Kasteel werd blootgelegd.

Het begin van de bouw van het laatste Kasteel Voorst moet ergens in het laatste kwart van de 13e eeuw hebben plaatsgevonden en bekend is dat in 1362 het Kasteel totaal afgebroken is. Als ik dan terug ga naar het gevonden steenformaat in de muur bij de Pletterstraat dan kan ik alleen maar concluderen dat er een bouwwerk heeft gestaan die opgebouwd moet zijn met stenen die globaal een datering hebben tussen 1275-1362. Nergens in de geschiedenis van Zwolle is bekend dat er een toren gestaan moet hebben in de buurt van de Pletterstraat. In 1324 is er een grote brand geweest in Zwolle en alle gegevens van voor die tijd zouden zijn verbrand. Omdat er van NA die tijd ook niets bekend is over een toren zou het mogelijk kunnen zijn dat die toren van vóór 1324 is. Ik wil een gokje wagen: ik zie deze toren als een uitkijkpost van de Marke Dieze. In die tijd was de Marke Dieze nog niet geannexeerd door Zwolle, dat gebeurde pas in 1384. De stadsgrens lag een eind terug en waarschijnlijk op de plaats waar de Kleine Aa stroomde. Via die toren kon dan de omgeving in de gaten gehouden worden en kon men alarm slaan als er gevaar dreigde. Opvallend was ook dat toen ik de put leeghaalde er geen grondwater aanwezig was. Stond de toren op een zandkop en daardoor automatisch al op een hoog punt? Vermoedelijk wel. In 2007 werd 40 meter vanaf de toren richting de binnenstad, Korte Smeden, door de archeologische dienst van Zwolle tijdens de opgraving achter de huizen in een zandkop sporen uit de Bronstijd gevonden. Hieruit blijkt dat het achterste gedeelte van de Diezerstraat grotendeels op een zandkop ligt waar het goed wonen was. Als u mijn waterartikelen eens wilt lezen dan zult u aanwijzingen vinden dat rond de plek waar ik nu over schrijf water gestroomd moet hebben. Dat water heeft de uitbreiding van Zwolle aan die kant lange tijd tegen gehouden en pas vanaf het eind van de 15e eeuw werd daar de stadsmuur zoals die nu nog aanwezig is, gebouwd. Voordat het water aan die kant voor problemen zorgde zal er dus al iets gestaan moeten hebben waar wij helaas alleen die (toren)muur van gevonden hebben. Ook de prehistorische en Middeleeuwse bewoning aan de Spoelstraat is iets dat niet genegeerd mag worden. Ook daar waren de gevonden bewoningssporen, op een zandkopje, omgeven door water!

Tot nu toe waren we weinig sporen tegen gekomen van echt oude bewoning op die plek. Tegen het eind van het onderzoek kwamen wij een dikke laag, bijna een meter dik!, eierkolen tegen en toen ik er doorheen prikte bleek er een put onder te zitten. Goede raad was duur maar de kolen moesten verwijderd worden. Jaap v d Berg, R.v.B. en ondergetekende zagen er niet uit en R.v.B. zag de bui al hangen en is toen weggegaan. De ovale put had als afmeting 1,4 x 1,6 meter. Bovenin vonden Jaap en ik materiaal uit de periode 1880-1900. Omdat we last van het grondwater kregen hebben we de waterpomp aangezet. Onderin plotseling een restant oude beer (nauwelijks een paar schoppen!!!). De put zal dan ook in het verleden menigmaal geleegd zijn maar gelukkig bleef er nog een gedeelte zitten, waarschijnlijk van de vroegste bewoners. In de beer een strijkglas van 7 cm diameter. Strijkglazen worden nu nog op het eiland Marken gebruikt om de bij de kledingdracht behorende kappen te laten glanzen. Verder nog een weef- of wolkaardekam van been (15,5 cm) en een van pijpaarde gemaakt 6,5 cm lang beeldje dat het ‘Christuskind in kribbe’ voor moet stellen. Van de kam wordt al jaren getwijfeld of die benaming juist is. O.a. H.J. Jansen, stadsarcheoloog van ‘s-Hertogenbosch, meent dan ook, dat de oude opvatting, dat het steekkammen in het kapsel waren, niet uitgesloten moet worden. Op de bodem van de put bevonden zich twee ronde stukken eikenhout met merk(huis)tekens. Waarschijnlijk de deksel van een kakdoos. Onder de planken kwam een gedraaid houten drinkbekertje (7,5 x 9,5 cm hoog) tevoorschijn. De vondsten kunnen in de tweede helft van de 15e eeuw geplaatst worden. De datering is niet in strijd met het gegeven dat de uitleg van de stad, en dan wordt over het algemeen de ommuring bedoeld, aan die kant in 1480 of eerder moet hebben plaatsgevonden.

Het hout en beermonsters uit verschillende beerputten zijn via R.v.B overhandigd aan Vincent van Vilsteren, die toen werkte op het Van Giffen Instituut te Amsterdam. 2½ jaar later ontving ik een kopie van de tekening van de planken maar de resultaten van het beeronderzoek hebben mij nooit bereikt! (Later heb ik Vincent daar op aangesproken en die vertelde toen dat hij dacht dat R.v.B. met de opgraving bezig was en hij had hem daarom de uitslagen gegeven. Hieruit bleek dat R.v.B. mijn naam niet genoemd had maar wel de suggestie gewekt had dat hij de persoon was die de opgraving deed! Op de tekening is vermeld dat het om een 16e eeuwse beerput zou gaan. Maar waarop dat is gebaseerd is mij niet duidelijk. De put is verder niet onderzocht. Waarschijnlijk is het hout 16e eeuws? De datering van de voorwerpen: het beeldje stamt uit de periode 1400-1550, de kam kwam na de 15e eeuw niet meer voor, maar het strijkglas is moeilijk in een bepaalde tijd te plaatsen. Het houten bekertje, dat op de bodem lag, kan aan de vorm te zien, in de tweede helft van de 15e eeuw geplaatst worden. Ik kom op een datering van 1450-1500. Natuurlijk kunnen voorwerpen uit die tijd in een 16e eeuwse put terecht gekomen zijn maar bewijzen zijn daar niet voor.
Voor de datering heb ik gebruik gemaakt van verschillende gegevens uit de hieronder vermelde literatuur en van mijn eigen inzicht. Nadat ik het bekertje geconserveerd had heeft R.v.B. er nog een paar foto’s van mogen maken en een tekening (de mijne was waarschijnlijk niet goed genoeg?). De tekening kwam ik tegen in zijn jaarverslag 1983, voor de ‘Vereniging vrienden van de stadskern Zwolle’, over de opgraving! In dat verslag wordt nergens namen genoemd van de gravers, Jaap, Jens of mij! Wel worden Wubbelts en Dirk de Vries naar voren gehaald!

Het verslag van de Pletterstraatopgraving is door mij geschreven en werd geplaatst in Nieuwsbrief nr. 2, april 1984, van de Zwolse Historische Vereniging. Hoe en waarom ik met publicaties begonnen ben is te lezen in Kasteel Voorst 2.
Tijdens de ‘Pletterstraatopgraving’ moest ik natuurlijk mijn auto met daarin de gereedschappen etc. bij de hand hebben. Over hoe het met de parkeervergunning ging en op welke wijze dat later opgelost is kunt u lezen onder Schatgraver en in het begin van het verslag over 1983.


Gebruik gemaakt van:
J.W.M. de Jong ea.. “Thuis in de Late Middeleeuwen”, Het Nederlands burgerinterieur 1400-1535 (Zwolle 1980) blz. 184-185.
Drs. H.L. Janssen. “Van Bos tot Stad”, opgravingen in ’s-Hertogenbosch, 1983, blz.298.
Han Prins ea.. “Zwolle van Stuwwal tot Stad”; Schets van haar oudste stadsgedeelte, 1978, blz. 25.
Het Kasteel Voorst Macht en val van en Overijsselse Burcht 1983.