Inhoudsopgave


VOORWOORD

In het voorwoord van het Zwols Archeologisch Dagboek meldde ik dat voor de hoofdstukken een selectie gemaakt is uit de vele locaties waar ik waarnemingen gedaan had. In enkele artikelen, maar vooral in die waar het over de waterproblematiek gaat, gebruikte ik gegevens van locaties die niet uitgebreid in het Z.A.D behandeld konden worden. Ook na het verschijnen van het Z.A.D. zijn door mij op verschillende plaatsen nog gegevens verzameld. Zoals op de inhoudspagina van Z.A.D. 2 is geschreven heb ik mijn redenen om die overgebleven gegevens, soms summier-soms uitgebreid, te plaatsen.

archeologieIn totaal heb ik 170 locaties bezocht. Meestal had ik het in een uurtje bekeken maar soms was ik er ook dagen druk mee omdat de werkzaamheden op de bouwplek niet opschoten of omdat er nog niets te zien was. Ik bleef dan terugkomen, bang om iets te missen. Ook was er het probleem dat ik niet altijd in de bouwput, vooral bij particulieren, werd toegelaten en moest ik van afstand de waarneming doen. Gelukkig is dat niet al te vaak voorgekomen en deed een opgehaald hartig hapje wonderen. Fototoestel en schop bij de hand voor het geval dat ... en meestal leverde dat gegevens op die in Z.A.D. 1, waterartikelen en in Z.A.D. 2 verwerkt zijn. Ik hoop dan ook dat deze aanvullende gegevens NOG meer inzicht zullen geven over het ontstaan van de Stad Zwolle en zijn omgeving. Misschien dat dan deze gegevens eindelijk eens verwerkt worden in publicaties van anderen. Ik weet dat ik de “luis in de pels” ben maar negeren van die feiten is de wetenschap(per) onwaardig!

Ik wil er op wijzen dat het soms moeilijk voor mij is om de volgorde in tijd vast te houden. Dat komt doordat publicaties van de provinciaal archeoloog A.D. Verlinde en de veldcoördinator van de A.W.N., tevens Rijkscorrespondent, Ruud van Beek, over opgravingen waar ik bij betrokken was, soms 1-2 jaar na de opgraving verschenen. In de tussenliggende periode kon ik dan ook nooit reageren op hun teksten en kwamen mijn indrukken en commentaar pas achteraf. Daarom was ik in die eerste tijd een meegaande harde werker en had daarna pas kritiek op hun publicaties en de werkwijze van voornoemde personen. Bij de lezing van de verschillende commentaren van mijn kant, moet u dan ook het volgende in u opnemen en dan de teksten daaraan toetsen.
In het kort: “ik was op eigen initiatief beschikbaar om werkzaamheden te doen en ben gewoon gebruikt door die personen voor hun eigen eer en glorie”. Na al die jaren en het doorworstelen van mijn gegevens sta ik nog steeds achter deze conclusie.

Verder wil ik uitleg geven over mijn persoon t.o.v. het archeologisch onderzoek dat ik vanaf eind 1981 heb gedaan zodat u beter kunt begrijpen waarom ik in de clinch lag met de gevestigde wereld van de archeologie, ambtenarij en personen die zich belangrijk vonden. In de verschillende hoofdstukken probeer ik de affaires aan te halen of anders verwijs ik naar een al eerder geplaatst artikel op deze site. De apart vermelde locaties kan ik u van harte aanbevelen maar het is wel belangrijk om die dan in (tijds)volgorde te lezen om er wat van te begrijpen. Vooral Ossenmarkt 1982, Pletterstraat en de twee hoofdstukken over de opgraving van het Kasteel Voorst verduidelijken waarom er allerlei problemen ontstonden.
Soms lopen zaken door elkaar heen, denk aan het later verschijnen van de publicaties. Als er dubbele teksten voorkomen dan heb ik daar een bedoeling mee. Vooral als het Dagboek wat uitleg behoeft. Bent u het overzicht kwijt, mijn excuus daarvoor. Het was namelijk niet makkelijk om uit de vele gegevens een mooi lopend verhaal te maken. In het begin van Z.A.D.2 zal ik enkele malen dieper ingaan op situaties die meer duidelijkheid moeten verschaffen over wat ik in het begin al meemaakte en waardoor er al een vreemde werksfeer ontstond. Dat ik bepaalde personen regelmatig op de korrel neem en daardoor wel eens uit mijn slof schiet moet u maar accepteren want een ieder mag weten hoe die wereld met mij is omgesprongen. Kunt u hier niet tegen dan adviseer ik u om een ander onderwerp op deze site aan te klikken.

Mijn verleden

Tot in het begin van de 80er jaren van de vorige eeuw was ik bezig als zelfstandige in de antiekhandel. Overal in het land probeerde ik voorwerpen op de kop te tikken en verkocht die door aan antiekhandelaren en niet te vergeten verzamelaars. Regelmatig stond ik op 3-daagse antiekbeurzen met een stand en later werden dat 1-dags beurzen.
Mijn voorkeur ging uit naar voorwerpen van metaal, aardewerk en glas. Het liefst moesten het gebruiksvoorwerpen zijn die afkomstig waren uit de periode 12e - 19e eeuw. Aan het eind van de 70er jaren kwam ik in contact met de handel in archeologische voorwerpen. Tijdens sloopwerkzaamheden in verschillende steden van ons land werden in bouwputten vaak beerputten of stortlagen blootgelegd, vergraven en op vrachtauto’s afgevoerd naar stortplaatsen. In het afgevoerde materiaal waren meestal voorwerpen te vinden die ons meer hadden kunnen vertellen over de geschiedenis van de bewoners van de plek waar de afgraving had plaatsgevonden. Een enkeling was zich daarvan bewust en probeerde nog te redden wat er te redden viel.


aardewerk

Wat je zoal tegen komt in de handel


Van links:
Brunssums aardewerk, 11 cm hoog, 1190-1200
Bewerkt benen schaakstuk? 6.5 cm hoog, 15e eeuw
“Schnapsfles”, 14 cm hoog, 1e helft 19e eeuw
Flesje met originele vergulde tinnen schenkdop. De tekst: “nectar of the golden life or health and vitality”. Op de andere zijde een boom met: “Str…..Elixer tree live since 1880”. 8 cm hoog, ± 1910-20. Deze flesjes zijn veel nagemaakt om in letterbakken te zetten maar dan staat er “Made in Taiwan” onder.
Grape, 7.5 cm hoog. (kinderspeelgoed?) Roetsporen. 15e eeuws


In die tijd waren er nauwelijks stadsarcheologen. Waarom het stadskernonderzoek nog in de kinderschoenen stond?: archeologen werden opgeleid en bekend gemaakt met prehistorie maar van de inhoud van oude beerputten had men, op een enkeling na, geen kaas gegeten. Ook was het niet COOL dat je als archeoloog zei dat je in een beerput gewerkt had. Veel materiaal werd dan ook niet herkend en afgevoerd tot ergernis van geïnteresseerden die wel de materialen in hun bezit wilden hebben. Ook was er natuurlijk het probleem dat gemeenten er geen geld voor over hadden om de archeologisch bedreigde plekken te laten onderzoeken. Zo begon het tijdperk van gravers en detectoramateurs. Zij struinden op plekken waar gemeenten of de beroepsarcheologen geen interesse in hadden. Een levendige handel in bodemvondsten vond plaats en in gerenommeerde antiek & kunstzaken kon je bodemvondsten kopen. Op de grote internationale antiekbeurzen waren bodemvondsten te zien waar o.a. musea grote interesse in hadden en diverse voorwerpen aankochten.

Eigenlijk was het handelen in bodemvondsten niet nieuw. Al vele eeuwen vond dit plaats. Denk maar eens aan de opgravingen in o.a. Egypte waar Europese archeologen of mensen die zich interesseerden voor de geschiedenis, hun best deden om vondsten te doen. De vondsten daar gedaan verdwenen over de hele wereld in verschillende musea en bij verzamelaars. De vinders werden als helden bejubeld.
Dit summiere voorbeeld om aan te geven dat niets een mens vreemd is. In ons land zijn een aantal personen van goede naam ook bezig geweest om te redden wat anders verloren zou zijn gegaan. Wie veel geld heeft kan die opgegraven voorwerpen aankopen en deze later schenken of verkopen aan musea. Ook zij worden op handen gedragen en worden niet als schatgraver of heler gezien maar zoals zij zichzelf graag noemen; ‘kunstverzamelaars’! Ook het museum of de provinciale archeoloog die de aankopen doet, krijgt niet de naam van heler!
museumethiek
Hier een tekst en foto die ik vond op de site museumethiek. Onder het hoofdstuk: “Heeft een volk recht op objecten van eigen cultuur?” staat een artikel uit de Volkskrant van 31 maart 2007. “De Elgin Tables die nog steeds onderwerp is van een ruzie tussen Engeland en de Griekse overheid. De Britse lord Elgin haalde in 1801 marmeren delen van de fries van het Parthenom in Athene af nadat hij dit voor een prikkie had gekocht van de Turkse overheersers. De Britse regering kocht de beelden voor 35 duizend pond en droeg ze over aan het British museum. Griekenland probeert al decennia de beelden terug te krijgen”.


Wat heeft dat nu met mij te maken zult u zich afvragen. Omdat mijn interesse voor geschiedenis en handelsgeest mooi samen kon gaan ging ik mij verdiepen in de materialen die uit de bodem gered werden. Ik kocht daarom voorwerpen bij diverse gravers en coinhunters. Regelmatig waren dat gave voorwerpen maar meestal moest er een restauratie plaatsvinden. Ook daar ben ik mij in gaan bekwamen en ik mag zeggen dat mij dat aardig gelukt is. Verschillende malen werd dan ook een beroep op mij gedaan om iets op te knappen voor musea of particulieren. In de jaren dat ik in de handel zat deed ik veel kennis(sen) op en werd ik een specialist op het gebied van archeologisch materiaal.
Nu zult u zeggen mocht dat alles zomaar? Zolang er op een eerlijke manier aan de bodemvondsten was gekomen was dat geen probleem. De monumentenwet in die tijd was namelijk niet sluitend genoeg en werd vaak niet goed uitgelegd. Ik kan daar verschillende voorbeelden van geven maar gezien mijn bedoeling om mijn archeologische verleden af te ronden ga ik daar niet verder op in. Wel wil ik nog even benadrukken dat ik mij altijd verbaast heb over de nonchalance en onkunde van stadsbestuurders en archeologen als het om sloopwerkzaamheden in hun stad of werkgebied ging. Geen inzicht dat een bouwplek archeologisch belangrijk kon zijn en de eigenwijsheid ook nog om alleen de kern van stad/dorp belangrijk te vinden terwijl de geschiedenis vaak daarbuiten ontstaan is. Dat andere personen betere inzichten hadden op dat gebied moet je ze dan ook niet kwalijk nemen maar wees blij dat door hun goede inzichten nog veel gered is.
Contacten ontstonden tussen mij en verschillende verzamelaars maar ook met archeologen die verzamelden en die mij tevens uitnodigden om het archeologisch-depot van hun stad te komen bekijken. Ik heb daar veel van opgestoken en later in praktijk gebracht toen ik wilde stoppen met mijn antiekhandel en in de stad Zwolle en zijn omgeving als “onbezoldigde amateur” archeologisch onderzoek ging doen.