Index


In Nederland bestaat vanaf 12 januari 1973 een vereniging op het gebied van Maten en Gewichten. In 1974 ben ik lid geworden en heb verschillende artikelen in ons verenigingsblad, “Meten en Wegen” (“M&W”), geschreven. Onderstaand artikel was er één van.

Dit artikel is geschreven omdat ik mij steeds meer ging ergeren aan beweringen die in ons blad maar ook in allerlei boeken te lezen waren. Er zijn zoveel tegenstrijdigheden en discutabele gegevens in die teksten vermeld, dat ik mij beperk tot het noodzakelijke om aan te tonen dat je niet altijd uit kunt gaan van wat er in het verleden vermeld is. Ik realiseer mij dat mede dankzij die auteurs ons verzamelgebied is ontsloten en dat zij niet de bedoeling hebben gehad om foute informatie door te geven. Toch was een wat kritischer opstelling van hen ten opzichte van het geschrevene welkom geweest. De goede niet nagesproken maar menig auteur verdraaide op die manier de werkelijkheid.

Onderstaand artikel verscheen in “M&W” van september 1993, no. 83, blz. 1964/1969. Het artikel is erg specialistisch maar ik hoop dat u de moeite wilt nemen om eens uw licht op te steken over een onderwerp dat van belang is voor de geschiedenis. Meer informatie over Maten en Gewichten.




Voormetrieke inhoudsmaten | Gemeten en vergeleken

Door Egbert Dikken

Voorwoord

De massa van een gewicht valt voldoende nauwkeurig vast te stellen. Moeilijker wordt het, wanneer afmetingen nauwkeurig moeten worden bepaald. Dit artikel gaat over het opmeten van voormetrieke inhoudsmaten. De nauwkeurigheid van opmeten wordt nogal belemmerd door de (mis)vorm van de te meten inhoudsmaat. Metingen, door verschillende personen verricht, geven verschillende uitkomsten. Wat is nu de juiste maat? Ik pleit voor een standaardmethode voor het opmeten van voormetrieke inhoudsmaten. Verder wijs ik er op dat men bij het raadplegen van tabellenboekjes de achtergronden van de gegevens dient te weten, voordat er met inhouden gerekend gaat worden.

Inleiding

Een verzamelaar wil graag zijn objecten kunnen indelen. Daartoe wordt informatie gehaald uit oude bronnen die geacht worden betrouwbaar te zijn. Toch blijken die bronnen niet altijd op één lijn te zitten en zijn verschillen in meetwaarden te constateren. Die verschillen kunnen te maken hebben met de vastgestelde tolerantie ofwel de marge waarbinnen een maat werd goedgekeurd; soms zijn die verschillen drukfouten. (Opm. 2010: in de originele tekst is het woord remedie gebruikt. Dit is niet juist. Remedie: “wettelijk toegestane afwijking van het gehalte en gewicht van munten”. Tolerantie heeft meer een internationale betekenis in de techniek en men geeft daar voor aan: ”Toegestane afwijking van voorgeschreven maten of afmetingen”.) Bij het gebruiken van die meetwaarden en teksten zal de auteur zich bewust moeten zijn van het feit dat hij daarop niet blind kan varen. Het in elkaar omrekenen of het te ver doorrekenen op die gegevens kan tot grove fouten leiden.

Met betrekking tot de tolerantie: Het wettelijk toegestane verschil was bij metrieke inhoudsmaten in 1827 3% van de inhoud. Ook kon door de verschillende valhoogtes voor het vullen 1,5 % en het gebruik van een rechte of ronde strijkstok 2,5 % verschil ontstaan (informatie van de heer B.E.P. Siermann). De problematiek van de vóórmetrieke maat is, dat deze met metrieke gegevens is vastgesteld. Doordat het basisgetal niet bekend is, weet men bij opmeting niet of het om de onderste of de bovenste grens van de tolerantie gaat.

Een voorbeeld: een houten inhoudsmaat in mijn bezit met de aanduiding 25 Ned. Kop, uit 1838, heb ik nagemeten. De inhoud is 25,51 l, dus zo’n 0,5 liter verschil maar de maat valt binnen de (3%) tolerantie van 24,25 — 25,75 l. (Dus 0,75 er onder en 0,75 erboven). Zouden we de aanduiding van 25 Ned. Kop wegdenken en er van uitgaan dat het om een vóórmetrieke maat met een inhoud van 25,5 l gaat, dan mag je die 3% tolerantie niet toepassen. Je zou dan namelijk een inhoudverschil krijgen tussen 24.74 en 26.27 l. Nergens is namelijk bekend dat die 3% tolerantie ook van toepassing was op voormetrieke inhoudsmaten.
Zolang de inhouden en tolerantie van officiële standaardmaten niet bekend zijn, kan ik geen conclusies aan toleranties verbinden.

 

Twee houten graanmaten die hiernaast besproken worden.
Links een maat (schepel) uit 1800 van Meppel en rechts een NED MUDDE -25 kop, gedateerd 1838

Een praktijkgeval

In mijn bezit (zie eerste afbeelding) was een spanen maat met ijzeren brug en stijl, aan de onderzijde en op de wand verstevigd met ijzeren banden. De spaan van de omtrek sluit over elkaar heen en is eertijds met vier houten pennen aan elkaar gezet. Onder de bodem zijn geen aparte pootjes aanwezig. Alleen op de zijwand is een merk plus het jaartal 1800 ingebrand.


Schepel met de ingebrande klavertjes van de stad Meppel en het jaartal 1800 op de zijkant. Inhoud 26,05 l

De maat bevindt zich nu in het Heimat Museum te Neuenhaus (Duitsland). Deze maat is aangekocht door het Heimat Museum omdat Neuenhaus in het verleden zaken deed met Meppel waardoor Neuenhuis graan moest leveren volgens de Meppeler maat. Daarom dat de Meppeler maat in Neuenhaus in gebruik was. Via de conservator van dat museum, Sinus Lefers, vernam ik ook nog dat hij documenten in zijn bezit had waarin geschreven stond dat er ook graan geleverd moest worden aan Zwolle en dat Neuenhaus dan de Zwolse maat moest hanteren.
Het merk komt overeen met wat door andere auteurs als Meppel wordt aangeduid (R.J. Holtman in “M&W”, pp. 1566—1568 en M.A. Holtman in “M&W in Drente”, 1988, p. 9). Na meting, volgens de Tieleman-methode (“M&W, Der Stede maet”, pp. 1209—1210) — dus na aftrek van de inhoud van de brug en de stijl — is door mij de inhoud vastgesteld. De hier behandelde Meppeler maat heeft de gemiddelde afmetingen van: diameter 43,1 cm; binnenkant wandhoogte 17,9 cm; inhoud 26,115 l. Na aftrek van de brug en stijl, respectievelijk 54,04 en 12,16 ml; blijft over (afgerond) 26,05 l als inhoud.

Wat is er over de Meppeler graanmaat bekend?

Volgens M.A. Holtman (“M&W Drente”, 1988. p. 17): “De graanmaat in Coevorden was dezelfde als in Meppel en Zwolle, namelijk 25 mud op een last (3 m3)”. Waarschijnlijk gaat het om de periode rond 1800, gezien zijn behandelde tekst, maar de auteur geeft geen nauwkeurige datum aan. Ik reken even voor u uit: Volgens ZIJN gegevens, zou de schepel (= 0,25 mud) van Meppel een inhoud van 30 l hebben. Voor diegene die niet zo op de hoogte is met deze materie: 1 schepel is 0,25 mud, dat zijn 4 schepels in een mudde. Volgens Holtman zouden er 25 mudde in een last van 3 m3 (3000 liter) gaan. Dat zijn dus 25 x 4 schepels = 100 schepels. Per schepel is dat dus 3000 : 100 = 30 l inhoud voor de graanmaat van Zwolle, Meppel en Coevorden. Verder zoekend in gegevens uit die periode: bij Ter Pelkwijk, “ Handleiding tot het herleiden der OUDE, in de provincie Overijssel gebruikelijke maten en gewigten tot Metrieke etc., etc.”, waren in Overijssel, na inhoudsvergelijkingen, negen verschillende graanmaten bekend. Waarschijnlijk is zijn boek uitgegeven in 1822, naar gegevens die Ter Pelkwijk begin 1800 onderzocht ten behoeve van de invoering van het Metrieke Stelsel (21 augustus 1816). Toch moet Ter Pelkwijk zijn gegevens na 1808 hebben aangepast, anders kon hij de Amsterdamse schepel, die in 1808 op 27,8137 l werd vastgesteld, niet vermelden. Wat de inhoud van de Amsterdamse schepel van vóór 1808 was? Zie ook de verdere tekst.
Het eerst bekende aantal van zeven verschillende schepels in Overijssel heeft Ter Pelkwijk aangevuld met twee schepels uit steden, waarvan eerst werd aangenomen dat die schepels gelijk waren aan de schepels van andere steden.
J. van Campen, “Overijssels Recht en Geschiedenis. Verslagen en mededelingen 1930”, pp. 276—285, vermeldt dat de steden Steenwijk en Haaksbergen resp. gelijk zijn met Oldenzaal en Vollenhove. Ook geeft deze aan dat de inhoudsopgave van de schepel van Almelo en Kampen niet door opmeting heeft plaatsgevonden, maar dat de burgemeester van Almelo deze informatie heeft verstrekt. Van Campen geeft op p. 280 nog aan dat de door Ter Pelkwijk gemaakte berekeningen en vermelde getallen discutabel zijn.
Zelf wil ik nog opmerken dat de door Ter Pelkwijk ontdekte, twee afwijkende maten, te maken kunnen hebben met de problematiek die hierna wordt behandeld. Er is niet aangegeven voor welke graansoorten de door hem gemeten maten werden gebruikt. Vreemd is ook dat Ter Pelkwijk uitgaat van zijn eigen opmetingen en gevonden gegevens en blind vaart op informatie van de burgemeester van Almelo. Welke graanschepel heeft deze burgemeester laten opmeten?
Steenwijk en Haaksbergen zouden resp. gelijk zijn aan Oldenzaal en Vollenhove. Omdat na meting bleek dat ze onderling verschilden, is Ter Pelkwijk op het aantal van negen gekomen en heeft deze in zijn tabel opgenomen. (zie afb.2.) Ook de opmeting uit 1808 van de Amsterdamse schepel is door hem vermeld. Verder schrijft hij: “Men geloofde gewoonlijk, dat de LASTEN in al de genoemde plaatsen onderling en aan het Amsterdamse (LAST) gelijk waren; maar de gemelde vergelijkingen hebben alsmede genoegzaam bewezen, dat al de LASTEN werkelijk ongelijk zijn”.

Op p. 37 geeft Ter Pelkwijk een tabelletje weer waar ik de door mij (met zijn gegevens) berekende last, van de verschillende genoteerde plaatsen, achter heb vermeld (helemaal rechts). Tevens heb ik het last van Amsterdam uitgerekend ondanks dat er geen zekerheid is of het gegeven van de schepel uit 1800 is. Vergelijk Kampen en Amsterdam, beide hebben 27 mudde in een last.


Vergelijkingstabel

 

Mijn grote bezwaar tegen deze gegevens is dat Ter Pelkwijk nergens vermeldt of hij gedateerde inhoudsmaten voor zijn metingen heeft gebruikt en of die maten een stadswapen als ijkmerk hadden. Dat kan dus betekenen dat er maten opgemeten zijn die uit verschillende tijden kunnen komen. Auteurs die van deze tabel gebruik gemaakt hebben en daardoor allerlei aannames op papier hebben gezet, moeten hun artikelen nog maar eens nalopen. Uit de berekeningen voor de last blijkt ook dat de last van de verschillende Overijsselse steden duidelijk afwijken van het aangenomen Amsterdamse last van 3010 l.
De schepel van Meppel zou 29.54 l moeten zijn omdat M.A. Holtman de graanmaat van Meppel gelijkstelt aan die van Zwolle. Dit wijkt af van de beschreven maat bij afb. 1-1a, waar de maat uit 1800 een inhoud heeft van 26,05 l (bijna 14% minder inhoud!). Daarom is ook de Zwolse maat uit 1800 gecontroleerd (afb. 3). Deze maat was aanwezig in de Oudheidskamer van het IJkwezen en nu in het bezit van G. Schunselaar. De maat is oorspronkelijk gebruikt door Ter Pelkwijk voor zijn meting van 29,54 l. Bij nameting bleek de inhoud nu 29,69 l te zijn.
In het boek “Bijdrage tot de kennis van de oude Amsterdamse graanmaat” van K.M.C. Zevenboom, heeft deze afmetingen vermeld van diezelfde Zwolse maat. Bij berekening daarvan zou de maat een inhoud moeten hebben van 29,08 l! Vergelijk je de grootste gemeten inhoud, 29,69 l, met de kleinste, 29,08 l, dan is er een verschil van 2,5% meer inhoud (dat is 61 l verschil op een last). Meetverschillen, krimpen van het hout, etc. zullen de verklaring zijn voor de verschillende inhouden van dezelfde maat.
Het getal 29,54, (dat iets boven het gemiddelde zit van de drie verschillende inhouden) dat Ter Pelkwijk verwerkt heeft in zijn tabellen en berekeningen, wordt door mij ook gebruikt. in het “Zwols Archeologisch Dagboek” in het artikel Zwolse Gewichtigheden. Ik heb nu ook 29,54 aangehouden omdat over de inhoud van de Zwolse schepel van vóór 1800 (nog) niets bekend is.

Schepel met wapenschild en het jaartal 1800 in de bodem.
Inhoud volgens gegevens van Ter Pelkwijk, 29,54 l.

 

Opm. 2010: in tegenstelling tot wat eerder bekend was heeft Ter Pelkwijk waarschijnlijk de verschillende maten niet zelf opgemeten maar heeft hij gebruik gemaakt van de gegevens van G.J. Palthe te Amsterdam. De maten moesten namelijk in de Franse tijd op verzoek van Palthe ingeleverd worden. Dit is te lezen in een “extract uit het Register der Resolutien van het Departementaal Bestuur van den Ouden IJssel”, gedateerd: “Zwolle den 23 Maart 1802”. Deze Palthe was aangesteld om nauwkeurige vergelijkingen te doen van alle maten en gewichten die in deze Republiek werden gebruikt ten opzichte van de “nieuwe Fransche maaten en gewichten”, (Historisch Centrum Overijssel, AAZOI 05918. Met dank aan G. Schunselaar.) Ter Pelkwijk heeft pas later, 1822?, zijn vergelijkingen uitgebracht. Tijdens zijn onderzoek zal hij tot de ontdekking zijn gekomen dat de gegevens van Palthe niet helemaal volledig waren en heeft toen zelf daar aanvullingen op gedaan.

In de rand van de schepel is op verschillende plaatsen het cijfer 2 ingeslagen. Waarvoor staat de 2? Vaak zien we in de randen van schepels een soort van merkteken. Deze merktekens zijn er voor om het knoeien met de maat tegen te gaan. Een soort van waarborgteken dus. Niet bekend is of deze 2 een ijkjaarmerk is, maar het is niet onwaarschijnlijk omdat de persoon Palthe in 1802 zijn verzoek heeft gedaan. Misschien heeft Zwolle de maat gezonden in het jaar 1802 nadat de maat in Zwolle nog geijkt was? Of heeft Palthe de maat in 1802 alsnog geijkt? Nu mij de informatie over Palthe bekend is geworden heb ik steeds meer twijfels gekregen over de waarde van de gegevens die door allerlei auteurs gebruikt zijn en waar conclusies uit getrokken zijn.

Ter Pelkwijk en ook de eigenaar van de maat nemen aan dat het wapenschild van Zwolle is. Op Zwolse gewichten komt het namelijk ook voor dat er wel of niet de letters ZVOL te zien zijn in de kwartieren van het wapenschild.




Detail van het wapenschild en het jaartal 1800 die in de bodem ingebrand zijn

 

Is de Meppeler graanmaat nu wel of niet van de Zwolse maat afgeleid?

M.A. Holtman beschrijft in “M&W” op p. 1400 twee Meppeler 0,25 mudden. Het eerste is geijkt in 1809 de tweede tussen 1772—1823. De inhoud wordt resp. als 30 en 29 l vermeld. (Mijn uitkomst naar zijn gegevens in het artikel: 30,257 en 29,792 l. De auteur maakt het zich gemakkelijk door de getallen simpelweg af te ronden. In het artikel is niet vermeld of de brug en stijl van de inhoud zijn afgetrokken! Dus kunnen er grote verschillen zijn bij de “vaststelling”.) In ieder geval komen ze een beetje in de buurt bij de inhoud van de Zwolse maat van 29,54 liter.
Op p. 1568 van “M&W” beschrijft R.J. Holtman de spanen 0,25 mudde, die aanwezig is in het Nederlands Bakkerijmuseum te Hattem. De graanmaat dateert volgens zijn gegevens uit de periode 1806—1809 en is gemerkt met de klavertjes van Meppel. De Meppeler maat in Hattem is vervormd en moeilijk na te meten. De inhoud is bij een gemiddelde diameter van 40,525 cm en een gemiddelde hoogte van 21,65 cm, 27,925 l. Na aftrek van brug en stijl blijft er ± 27,88 l over. Holtman heeft de Meppeler maat uit het depot van het Drents Museum (1809) en die uit Hattem (1806) aan elkaar gekoppeld!!
Een inhoudverschil van 30,257 -27,88 = 2,377 liter! Als we dat doorberekenen op een last dan is dat maar liefst 237 liter verschil! Het verbaast mij dat Holtman dit grote verschil niet is opgevallen en dat hij niet verder op dit onderwerp is doorgegaan want in “M&W Drente” op pag. 11, is te lezen dat de Zwolse maten na 1680 vergroot zijn. “In 1699 trachten Ridderschap en Eigenerfden enige orde op zaken te stellen wat het gebruik van maat en gewicht betreft en ordonneren dat Coevorden en Meppel in het vervolg geijkte Zwolse maat moeten gebruiken. Volgens de kooplieden van Meppel is dit een onredelijke eis, omdat de nieuwe Zwolse maten groter zijn dan de oude Zwolse en dat de ijker aldaar op eigen initiatief de standaardmaten zou hebben veranderd. Door de vele protesten werd in 1700 de verplichting tot het gebruik van de Zwolse maat ingetrokken en geordonneerd dat de mate van oldes gebruickelijk weer wordt ingevoerd”.
Uit deze tekst is op te maken dat er verschillen tussen de Zwolse en Meppel maat geweest moeten zijn. Ook blijkt hieruit dat de maatinhoud van de hier behandelde steden aan verandering onderhevig waren.


Schepel uit Meppel; 1806, merken op de zijwand.
Inhoud na berekening van R.J. Holtman: 27,88 liter


Voormetrieke inhoudsmaten | Gemeten en vergeleken (vervolg)