Index


Het boek Het Waagstuk, de geschiedenis van waaggebouwen en wegen in Nederland is verschenen naar aanleiding van een tentoonstelling in het museum De Waag te Deventer van 12 juni tot 10 september 1990. De boekbespreking, door Egbert Dikken en Gerard Schunselaar, en een naschrift door G.M.M. Houben, zijn geplaatst in Meten & Wegen van December 1990, No. 72.

Bijschrift bij de boekbespreking Het Waagstuk door het bestuur van de Gewichten & Maten Verzamelaars Vereniging
Omdat een dergelijke boekbespreking naar het oordeel van het bestuur te lang is om in ons blad te plaatsen, is er in dit geval -om een volledige informatieverstrekking naar onze leden te waarborgen- gekozen voor de mogelijkheid dit stuk als bijlage bij ons blad te voegen. Over de inhoudelijke en overigens erg specialistische zaken zal zeker meningsverschil bestaan. Het bestuur meent echter discussie in het kader van onderzoek met betrekking tot maten en gewichten te moeten stimuleren, om er zodoende zorg voor te dragen dat er uiteindelijk steeds meer gegevens over onze boeiende hobby boven tafel komen.

Het bestuur



Boekbespreking Het Waagstuk

Door E.J. Dikken en G.P.M. Schunselaar



Het initiatief om het onderwerp WAAG in één boek samen te vatten is te waarderen. Jammer is echter dat regelmatig van dit soort uitgaven verschijnen die hoofdzakelijk bestaan uit samenvattingen van al eerder verschenen boeken of studies. Meestal worden auteurs van naam aangezocht om zo’n boek te dragen. Het Waagstuk vormt hierop geen uitzondering. Doordat het boek vele onzorgvuldigheden en grove fouten bevat, is het niet te gebruiken als (wetenschappelijk) naslagwerk maar het probleem is dat in de toekomst weer naar zo’n boek verwezen zal worden met alle gevolgen van dien. Dat er meer NIEUWE gegevens en minder fouten in het boek hadden kunnen voorkomen, behoeft een toelichting.
In november 1989 verscheen de eerste druk van het Zwols Archeologisch Dagboek, (hierna te noemen ZAD). Hierin staat het artikel Zwolse Gewichtigheden waar voor het eerst uit de doeken wordt gedaan welke gewichtseenheden er in een stad konden voorkomen of gangbaar waren. Uiteraard ontbreekt daarbij het waaggewicht niet. Ook wordt in dat artikel, en niet alleen in dat artikel van het ZAD, bewezen dat vele (ver)oude(rde) publicaties onbetrouwbaar zijn en veel onjuistheden (kunnen) bevatten. Onder andere de heer Houben heeft het door ondergetekenden geschreven artikel (in het ZAD) op onjuistheden gecontroleerd en samen werd besloten om niet alle door ons gevonden tegenstrijdigheden te noemen; dit wilde hij in zijn nieuw te schrijven boek opnemen (ZAD; zie p. 138 en Internet, noot 2.). Het verbaast ons dan ook dat de heer Houben zijn medeauteurs niet op het ZAD attendeerde en dat hij de door ons ontdekte, nieuwe gegevens, zelf niet heeft gebruikt. Ook willen wij onze verwondering uitspreken over het feit dat zo’n belangrijk aspect als de Waag niet beter onderzocht is en dat leden van de Gewichten en Maten Vereniging niet zijn benaderd.

In het artikel van L. Noordgraaf: “De Waag: schakel in de pré-industriële economie” zijn weinig gegevens uit de late middeleeuwen verwerkt omdat, zoals hij aangeeft, er nauwelijks geschreven bronnen zijn (of onderzocht zijn?). Conclusies zoals de auteur trekt uit anekdotes en gegevens uit jongere tijd, kunnen gevaarlijk zijn omdat het begrip Waag NIET, maar het systeem wèl veranderd kan zijn (voorbeelden over onder andere Marken en benamingen, ZAD). Noordgraaf, p. 12: Dat steden zich na 1200 administratief en juridisch gingen onderscheiden. Wij willen hier een zeer belangrijk economisch aspect aan toevoegen, namelijk dat steden hun eigen gewichten en maten probeerden in te voeren. Het is erg spijtig dat de auteur nauwelijks aandacht schenkt aan de Wagen in en rondom Deventer. Trouwens, het hele oosten en noorden komen er ons inziens bekaaid af.
In het artikel van G.M.M. Houben: “Wegen en Meten” en in de catalogus van B. Dubbe hadden wij graag gezien dat bij de behandelde en afgebeelde (voormetrieke) gewichten en maten de massa’s in grammen en inhouden in liters waren aangegeven. Dit is uitermate belangrijk voor het doen van goede vaststellingen! Op p. 28 vindt de auteur dat stenen gewichten niet als gewichten mogen worden aangemerkt. Wij hadden graag uitgelegd gezien waarom deze gewichten dan WEL werden geijkt. Een onderschrift: Stenen gewicht uit Zuid-Nederland voor het wegen van hooi (p. 29, cat. 53) geeft toch duidelijk aan dat er van een gewicht sprake is? Op p. 29 wordt gepoogd uit te leggen “dat goederen konden worden verkocht tegen de hoogste waarde per pond” en verder “dat daarom de Waag haar pond zo zwaar mogelijk maakte”. Is het niet mogelijk dat een Waag haar pond verzwaarde om een betere concurrentiepositie af te dwingen? Voorbeeld: als een vervoerder een handelslading aan de Waag aanbood en hij moest daarover PER POND belasting betalen dan was het toch aantrekkelijk voor hem om dit te doen in een stad met een hoog waagpond? Er gaan dan namelijk minder ponden (dus minder belastinggeld) in zijn lading (simpeler was natuurlijk geweest om het tarief aan te passen, dan behoefden er niet steeds nieuwe gewichten te worden gemaakt. Of de problematiek rond het muntstelsel hier debet aan is zou eens moeten worden onderzocht).
Auteur Noordgraaf geeft over concurrentie op p. 18 iets dergelijks aan. Hij schrijft dat op bepaalde plaatsen in ons land weinig of helemaal geen waaggeld werd gevraagd. Een verklaring voor de aanduiding en het gebruik van ”licht” of “handels” ponden kan volgens ons zijn dat de tussenhandel (inkoop bij de Waag) naar de particulier zijn winst moest maken. Heden ten dage hebben wij nog zo’n systeem: fabriek > groothandel > detailhandel > particulier. Een ieder pikt zijn graantje mee.

Op p. 29 schrijft Houben over het waagpond: Het Amsterdamse pond werd in de 17e eeuw 494.1 gram en het zwaarste van West-Europa. Dit komt terug in zijn tabel op p. 31. Hoe hij deze tabel heeft kunnen samenstellen is ons een raadsel. Hij geeft als geraadpleegde literatuur aan het boek van J.M. Verhoeff. Uit dit boek zijn echter totaal andere massa’s voor het waagpond te halen. Verder wordt bijvoorbeeld in plaats van het waagpond het licht- of handelspond van Alkmaar, Haarlem, Breda, Utrecht en Zwolle vermeld (van de andere steden geeft Verhoeff alleen aan dat het om een pond gaat; er wordt niet bij vermeld om WELK pond het gaat). Dat onder andere steden als Haarlem, Alkmaar, Leiden, Hattem, Zutphen, Zierikzee en Vlaardingen ook een waagpond bezaten van 494,1 g, wordt niet vermeld. Dat Utrecht een zwaar-gewicht had van 497,8 g en dat plaatsen als Hoevelaken (496,3 g), Zwolle (503.8 g) en Appingedam (531 g) zwaardere ponden hadden dan Amsterdam, geeft aan dat de stelling: Amsterdams waagpond het zwaarste van West-Europa niet juist is. Dat Deventer zelfs een waagpond moet hebben gehad van boven de 500 g hebben wij in het ZAD al uitgelegd.

Wat de graanhandel betreft schrijft Houben op p. 34 grotendeels over de Oostzeehandel — Amsterdam. Dit algemeen bekende gegeven had eindelijk eens aangevuld kunnen (moeten) worden met informatie uit Friesland, Drente of Groningen (die weinig met Amsterdam of de daar geldende regels te maken hadden.). Ook uit Overijssel was informatie voorhanden. Onder andere wordt in het ZAD (p. 137) aangegeven dat Zwolle vanaf de 14e eeuw zijn granen kocht in het Graafschap Bentheim. Daarom bleven in die streek tot in de 18e eeuw de “Swolser maeten” nog in gebruik. Dit soort informatie had kunnen bijdragen tot een nieuwe (andere) kijk op de handelscontacten (dus ook op het waaggebeuren) van streken en landen onderling.
Bij de vermelding dat een Amsterdamse schepel 27,8 l was (p. 36) wordt iets vergeten. Is de schepel altijd 27,8 l? Nee, in de 18e eeuw was voor graan in Amsterdam de kleinhandels- schepel 27,76 l en de groothandels-schepel 27,9 l. In de 16e eeuw was de schepel 29,1 l en zelfs 27,6 l. Of dit voor groot- of kleinhandel was, is niet bekend (J.M. Verhoeff). Het simpel weergeven van: een schepel is zoveel l, is zonder verdere informatie over tijd, plaats of functie niet bevorderlijk voor de helderheid van een artikel en niet altijd bruikbaar voor verder (wetenschappelijk) onderzoek.
Op p. 31 is een gewicht afgebeeld met de tekst Geelkoperen gewicht van vier pond uit Zwolle. Dit is weer klakkeloos overgeschreven uit (ver)oude(rde) literatuur. Het gewicht is namelijk van brons en is waarschijnlijk een standaardgewicht voor het lichtgewicht van 479,9 g. De ontdekking hiervan is gedaan door ondergetekenden. In de catalogus (p. 120) is de term standaardgewicht plotseling wel gebruikt! De bron (ZAD; Zwolse Gewichtigheden, hoofdstuk “Lichtgewicht”) wordt niet vermeld.
Het gewicht (cat. 77) is ook van brons en er zijn bovendien geen 4 maar 5 wapens in afgeslagen hetgeen op de afbeelding duidelijk is te zien! Bij de ondertiteling van een geduigde maat wordt de term mud gebruikt, terwijl er duidelijk in de maat hectoliter is ingebrand. Een duidelijke misser (p. 36 en cat. 55—56).

Een goed oordeel over het artikel van L. Berrevoets: “Een historisch overzicht van Waaggebouwen” is voor ons moeilijk te vormen. De kleurafbeeldingen fleuren het boek op. Eén opmerking in de tekst willen wij echter aanhalen. Berrevoets vermeldt op p. 52 dat vanaf 1528, na de stichting van het waaggebouw op de Brink, de wagen bij de Zandpoort en de Noorderbergpoort buiten dienst werden gesteld. Op pp. 12 1—122 is een akte weergegeven uit 1597. Daaruit is af te leiden dat er toen nog een korenwaag in de Noorderbergpoort in gebruik was. Was deze waag opnieuw in gebruik genomen? Ook worden in die akte nog andere Wagen genoemd. Wat ons daarbij ook opviel was, dat de gewichten in de VEDERwage zwaarder waren dan die in de Grote Waag! Over de tegenstrijdigheid in de tekst en de andere door ons vermelde punten hadden wij graag meer informatie gehad.
Catalogus door B. Dubbe (ook voor bij de tentoonstelling). Het is jammer dat het boek pas 10 dagen na de opening in het museum verkrijgbaar was!
Cat nr. 60: Hier wordt de werking van de korenschaal aangegeven. In zijn uitleg over de (voormetrieke) schaal haalt hij de aanduiding hectoliter (metriek) erbij. Gemakshalve wordt vergeten te vermelden dat de gewichten niet bij de schaal HOEVEN te horen. Ook de stelling: Een kop is het 32e deel van een schepel, ofwel 8,44 dl is onjuist en te simpel gesteld. Niet alle schepels hebben namelijk een 32-verdeling, ook hebben niet alle schepels een inhoud van 32 x 8,44 dl = 27,01 l. Als voorbeeld nemen wij de publicatie van Van Pelkwijk (zie ook ZAD p. 138, Internet, noot 5). Van Pelkwijk geeft op p. 38 aan dat in Overijssel een kop 1/16 van een schepel is. Hij vermeldt voor Deventer (zijn onderzoek was rond 1820) een schepel van 29,04 l en stelt de kop op 1,814 l. Ook Van Pelkwijk geeft niet aan om welke schepel het gaat. Verhoeff geeft voor Deventer een schepel van 29 l en de daarbij behorende kop van 0,9 l aan en verder nog dat in de I6e eeuw er in Deventer een schepel was van 27,7 l. In Groningen bestond voor 1820 zelfs helemaal geen graankop en werden kopsschalen vermoedelijk helemaal niet gebruikt. In het boekje "Meten en Wegen" in Groningen, van M.A. Holtman, worden deze zaken uitgelegd. Ook het gegeven: dat in verband met zetting in een grote graanmaat de korenschaal iets groter moet worden genomen ten opzichte van de gewichten, om tot het juiste MUD-gewicht te komen (Holtman, p. 33), is van belang om een goede vaststelling te kunnen en mogen doen.
Cat. nr. 84: Ook wij kennen die gegevens en hebben in het Deventer archief navraag gedaan naar het Nye Copieënboek; het was nergens te vinden!! Dit is jammer want in die originele akte was misschien iets bekend geworden waarvoor het Keuls en Troois gewicht in de Waag werden gebruikt.
Cat. nr. 86: Geeft duidelijk aan dat er in de Waag van Deventer van zowel zwaar- als lichtgewicht gebruik werd gemaakt. Spijtig genoeg is geen der auteurs hierop dieper ingegaan.

Over de tentoonstelling zelf kun je redetwisten. De keus van voorwerpen is persoonsgebonden. Toch vragen wij ons af waarom handelsgewichten van het Overijsselse type uit steden als Zwolle, Deventer en Almelo niet aanwezig waren. Waarom niet de zeskantige waaggewichten, uit de Franse tijd, met balans uit Kampen of de grote houten balans uit de waag van Zwolle? Ook de 15e eeuwse bronzen Groninger standaardmaat voor graan, in het Groninger Museum voor Stad en Lande, had niet misstaan. Zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Twee handelsgewichten van lood die omwikkeld zijn met rood koper. Ze zijn gemerkt met een wapenschild waar in de kwartieren ZVOL is te lezen. Deze gewichten worden, sinds de publicatie in het ZAD-“Zwolse Gewichtigheden”, Overijssels type genoemd.

1712, met een massa van 467,2 g. (1 pond)
1736, met een massa van 118,6 gram (0.25 pond)

 

Het boek “Het Waagstuk”, wat onder andere met subsidie van WVC tot stand is gekomen, blijkt vol met onjuistheden te zitten die niet nodig waren geweest als er meer overleg had plaatsgevonden met mensen die ook het nodige van de (moeilijke) materie afweten. Zo langzamerhand beginnen we ons af te vragen of er wel voldoende controle plaatsvindt op de uitgaven die onder andere door de gemeenschap worden betaald. Al met al is dit waagstuk gewogen maar door ons te licht bevonden.


Naschrift over de boekbespreking "Het Waagstuk”

G.M.M. Houben

Het boek dat ter gelegenheid van de tentoonstelling over de Waag werd uitgegeven, is vooral bedoeld als overzicht van onze waaggebouwen. De twee andere hoofdstukken en de afbeeldingen zijn ter algemene illustratie toegevoegd. De opdracht daarbij was een voor de lezer begrijpelijk verhaal te schrijven; “het boek heeft niet de pretentie van een wetenschappelijk naslagwerk. Het gaat over de waaggebouwen in ons land en de functie van de Waag, niet over de waaggebouwen van Deventer of over die van het hele oosten en noorden”.
Prof. dr. Noordegraaf weet best dat maten en gewichten een onderdeel uitmaken van een “administratief en juridisch” systeem; zijn critici kennelijk niet. Het intussen ook reeds in Duitsland als origineel en baanbrekende werk erkende overzicht van Berrevoets wordt afgedaan met het vermelden van een voor het boek onbelangrijke vergissing.
Mijn naam wordt meerdere malen genoemd; maar het fotomateriaal dat gebruikt is, was mij niet bekend, noch is het door mij beschreven. De “uitermate belangrijkheid” van een vermelding van cijfers daarbij, ontgaat mij. De detailleringen van de kunsthistoricus Dubbe zijn inderdaad niet altijd “wetenschappelijk”; so what!
Over waag- en aanverwante gewichten heerst nog steeds verwarring; het kost veel tijd om dat goed uit te zoeken en het had geen enkele zin om daar in dit globale overzicht op in te gaan. Ik was door het museum persoonlijk benaderd om een bijdrage te leveren en vond in Dikken’s “Zwols Archeologisch Dagboek” niets van voldoende relevantie voor het Waagstuk om naar te verwijzen, mag ik?


Reactie op het “NASCHRIFT” van Houben

Uit dat naschrift is duidelijk op te maken dat wij Houben op z’n (lange) tenen zijn gaan staan. Houben, die een uitstekende naam van verdienste heeft, is betrapt op wat hij noemt; “niet relevante zaken, onbelangrijke vergissingen, niet de pretentie voor een wetenschappelijk naslagwerk en teksten zou hij niet geschreven hebben”! Dus geen excuus voor de vele fouten, die klakkeloos door de auteurs zijn overgeschreven, maar; omdat de opdracht luidde: “het moest voor de lezer een begrijpelijk verhaal worden”. De tentoonstelling en het boek werden aangeprezen als “de geschiedenis van de waaggebouwen en het wegen in Nederland”. Mag je, als je de geschiedenis beschrijft, daar dan zoveel fouten in maken alleen omdat de auteurs een naam opgebouwd hebben? Dat een “erkend overzicht van Berrevoets” er dan bijgehaald wordt is erg bedenkelijk want hoeveel overgeschreven teksten staan daar wel niet in? Dat Houben de fouten, die door Dubbe gemaakt zijn, af doet als “so what”is natuurlijk te belachelijk voor woorden en tekenend voor zijn reactie.
Als niemand een ander terecht wijst op gemaakte fouten blijven we steeds met de brokken zitten die auteurs in het verleden gemaakt hebben. Blijkbaar mag je op gevestigde namen geen kritiek hebben. Dat Houben het Zwols Archeologisch Dagboek niet in zijn geraadpleegde literatuur heeft opgenomen heeft er meer mee te maken dat daar gegevens in staan die hij zelf graag ontdekt had. Hij is echter vergeten dat hij aan die publicatie heeft meegewerkt maar dat zal wel niet relevant genoeg voor hem zijn.