Bijna 30 jaar ben ik samen met Herman Kamphuis bezig om onderzoek te doen naar de ontstaansgeschiedenis van de stad Zwolle. Door mijn Archeologisch verleden heb ik veel informatie kunnen verzamelen en Herman heeft door zijn geschiedkundige inzichten daar aanvulling op gedaan. O.a. het artikel over De Mastenbroekerpolder (waar nu gedeeltelijk de Zwolse wijk Stadshagen is gebouwd) is gemaakt om er voor te zorgen dat onwaarheden geen eigen leven gaan leiden.
Binnenkort komt er een artikel over het Kasteel De Voorst, bij Westenholte, waarin we vermelden waarom de IJssel daar langs heeft gestroomd en waarom het kasteel een Motte-kasteel is. Tevens zullen dan de ervaringen en vondsten van de opgraving door mij belicht worden.

Dat de stad Zwolle tijdens zijn ontstaan grotendeels in een waterdal lag is beschreven in Waternood - Watersnood. Dat artikel is geplaatst in mijn Zwols Archeologisch Dagboek (Z.A.D. 1989-90). Het vervolg, WW2, is klaar en wordt de komende maanden onder “WATER” geplaatst. Er zijn door ons nieuwe bewijzen gevonden over de waterproblematiek in het IJsseldal. Een belangrijke ontdekking was dat het water vanaf de Duitse moerasgebieden via het gebied, globaal tussen Ommen en Hancate, ongehinderd Zwolle kon bereiken. De Regge speelde daarbij een belangrijke rol. Over deze nieuwe inzichten zal nog lang gesproken en geschreven worden.
Ook het ontstaan van de woonwijken "Kamperpoort" en "Assendorp" zullen behandeld worden. Dat de Marke Assendorp een prominente plaats in de geschiedenis van Zwolle had is nog steeds niet bij een ieder doorgedrongen. Dat door de eeuwen heen er allerlei problemen geweest zijn met het stijgende water en dat deze afgewisseld werden met droge perioden bewijzen we ook en daarmee geven we tevens aan dat een klimaatverandering van aller tijden is.

Een onderzoek in Stadshagen (Mastenbroekerpolder)

In Mei 2000 haalde de stadsarcheoloog van Zwolle, Hemmy Clevis, het landelijke nieuws met zijn ontdekking van een oerbos dat 2000 jaar geleden ten onder zou zijn gegaan. Volgens Clevis heeft een zondvloed waarschijnlijk een einde gemaakt aan het oerbos in de Mastenbroekerpolder, het weilandengebied tussen Zwolle, Hasselt, Genemuiden en IJsselmuiden. Vooralsnog is er sprake van het enige oerbos dat in ons land is aangetroffen. De zondvloed zou volgens Clevis de dijken van de IJssel hebben doorbroken en daardoor zou het bos verdronken zijn!
Een drietal wetenschappers, waaronder geologe dr. Maja Kooistra borduurden voort op de ontdekking van de archeoloog. In een artikel, Zwolse Courant 25 Januari 2003, gaan ze nader op deze materie in. In het artikel kon men o.a. lezen dat Clevis er vele eeuwen naast zat maar kwamen de andere onderzoekers tot opmerkelijke uitspraken.

Een samenvatting van het artikel:
“Uit het jaarringenonderzoek bleek namelijk dat het moerasbos tot 531 na Chr. heeft bestaan en niet rond het begin van onze jaartelling ten onder is gegaan. De gevonden bomen zijn absoluut geen 2000 jaar oud blijkt uit hun onderzoek. In dit verband spreken ze liever over een moerasbos dan een oerbos.
Aan de hand van de resultaten van een geïntegreerde onderzoekmethode concludeert Kooistra dat van 527 tot 545 na Chr. kou, regen en wind het noordelijk halfrond teisterden. Jarenlang, soms even onderbroken door een droge periode, moet het vrijwel onafgebroken hebben geregend waardoor de Vecht buiten haar oevers trad. Langzaam maar zeker verdween het bos onder water, zodat uiteindelijk een meer overbleef.
De Mastenbroekerpolder heeft in de loop van de tijd vele gedaantewisselingen ondergaan. Ver voor onze jaartelling is het een uitgestrekt heidelandschap. Vanaf 100 jaar voor Chr. verandert het gebied in een nat bos van eiken, elzen en essen. Een moerasbos of, populair gezegd, een oerbos. De bomen groeiden door de nattigheid slecht en staan dicht op elkaar. Zo dicht dat alleen kleine dieren het bos in komen. Rondom de bossen verbouwen de mensen wat graan, maar het bos zelf gebruiken ze niet. Het is te nat, te dicht begroeid en het hout van slechte kwaliteit. Vanaf 531 sterft het bos plotseling af, waarschijnlijk door een schier onophoudelijke regenval, waardoor de Vecht buiten haar oevers treedt. Van rond 550 tot 1100 gaat het bos voor een deel over in een meer. Over de omvang daarvan is het gissen, maar vermoedt wordt dat het gaat om een meer van 10 tot 20 km². De stad Zwolle ontstaat in de 9e eeuw op een heuvelrug aan de rand van dat meer. Na de millenniumwisseling beginnen mensen het meer af te graven(?) en te ontpolderen en ontstaat langzaam maar zeker de huidige Mastenbroekerpolder”. Kooistra heeft nog meer te vertellen: ”tot voor kort was de gedachte aan een plotselinge klimaatsverandering gelijk aan vloeken in de kerk. In de natuur gaat nooit iets geleidelijk. Het is van klap-boem. Dat mocht je in wetenschappelijke kring niet beweren. Dan was je een dissident en werd je er uitgegooid. Zo ging dat.. Volgens de gangbare mening in wetenschappelijke kringen gaat alles heel geleidelijk en is klimaatsverandering een proces van eeuwen. Maar dat klopt niet met de werkelijkheid. Door natuurrampen kan het klimaat van de ene dag op de andere dag omslaan. Dit blijkt niet alleen uit dit maar ook uit andere onderzoeken. De zware klei( Kooistra gaat dan ineens over op dit onderwerp en haalt er meteen van alles bij) kan niet afkomstig zijn van de IJssel, want er zit geen zand in. Ook de Zuiderzee, toen zout, is geen optie, want er zit geen zilt in. De Vecht blijft dus over. Het kan bijna niet anders dan dat de zeespiegel is gerezen door de onophoudelijke regenval. Het water van de Vecht kwam daardoor in het bos terecht”. Tot zover het relaas van Kooistra in het artikel.

Onze reactie daarop:
Is dit “het enige oerbos dat in ons land is aangetroffen”? Algemeen wordt aangenomen dat het laatste stukje oerbos van het Beekbergerwoud vóór 1900 gekapt is. Volgens Kooistra was de Mastenbroekerpolder ver voor onze jaartelling een uitgestrekt heidelandschap. Echter bij heide denken we meer aan menselijke invloeden, zoals op grote schaal het kappen van bossen en begrazing door dieren.

Was Nederland voor de komst van de eerste boeren, zo’n 6000 jaar geleden, één groot dicht oerbos? Bioloog Frans Vera gelooft er helemaal niets van. In zijn in 1997 verschenen proefschrift, “De mythe van het oerbos”, dweilt hij de vloer aan met palynologen die uitgaan van de oerbostheorie. Volgens Vera moeten we bij de oorspronkelijke vegetatie eerder denken aan een half open parklandschap, dat open gehouden werd door grote grazers. Dat Nederland niet uit een dicht woud van aanéén gesloten bossen bestond, bewijzen volgens hem diagrammen van stuifmeel uit die tijd, die voor 80% uit pollen van de eik en hazelaar bestaan, twee soorten die veel licht nodig hebben en zich aldus niet in een gesloten bos kunnen verjongen.
Bij baggerwerkzaamheden, op de bodem van de Waal tussen Nijmegen en de Duitse grens, werden oeroude eiken opgediept. Aanvankelijk werden die naar de stort gebracht, het hout was te hard om te zagen of om voor brandhout te gebruiken. Wereld Natuurfonds en Staatsbosbeheer staken daar een stokje voor en lieten de boomresten onderzoeken. Dit leverde het gegeven op dat deze bomen 8420 jaar oud waren en wel de oudsten in ons land ooit gevonden. Al eerder werden er oude bomen gevonden. Deze kwamen uit het Gooimeer en dateren van 6024 voor Chr.
Doorgaans hebben eiken in een dicht bos rechte stammen maar deze eiken hadden lage zijtakken. In een gesloten bos zouden de bomen te weinig licht hebben gekregen om dergelijke lage zijtakken te vormen. Dit is ook een aanwijzing voor een parklandschap. De onderzoekster in Stadshagen, Kooistra ,merkt op dat het moerasbos van Mastenbroek met zijn eiken, elzen en essen te dicht op elkaar stonden en door het slechte licht en de nattigheid slecht groeiden. Of in Stadshagen eiken met lage vertakkingen gevonden werden wordt niet vermeld. Ook over het aantal gevonden bomen wordt niet gesproken.

De Zwolse Courant van 27 Oktober 1984 geeft ons nog meer gegevens over fossiel hout oftewel kienhout. Bij de aanleg van de Eemstunnel (noordwest Duitsland, bij de grens) vond men boomstammen die ± 3700 jaar oud waren. Ze lagen onder een zware kleilaag waardoor ze goed tegen bederf waren afgesloten. In Meerland boven Winschoten hadden de boeren veel last van dit kienhout, het leek wel of dat onder de bodem groeide.
Fossiel hout groeit “onderhuids” omhoog. De verklaring is dat vee in de wei, tractoren of wat dan ook trillingen veroorzaken en daardoor een kleine beweging te weeg brengen met als gevolg dat er iets grond onder de stammen schuift. Op de lange duur worden de stammen naar boven gewerkt en komen dan aan de oppervlakte te liggen. In bepaalde gebieden gebeurde dit zo sterk dat vroeger in de Bijlmermeer, onder Oudekerk en Amstelveen, het voor sommige huisgezinnen de enige vorm, het sprokkelen van kienhout, van brandstof was.

Wat betreft het klimaat van het jaar 0 tot omstreeks 900, waarover het onderzoek gaat in de Mastenbroekerpolder, is niet veel bekend. We weten alleen dat ten gevolge van de vochtige periode tussen 180 en 550 en de Duinkerkse transgressiefase II (gedateerd op 275 of 300 of de 4e eeuw na Chr.) de moerassen zich sterk uitbreidden. Van het jaar 333 is bekend dat er zo’n zware storm was dat er tientallen dorpen verdwenen zijn en dat ten oosten van Den Helder door overstromingen het land in zee veranderde. In het jaar 365 was er een aardbeving en heeft heel Europa last van overstromingen. Samen met de storm en de vele regen kwam bijna heel Friesland onder water te staan. Ook de jaren 435 en 516 zijn bekend om hun grote regenval en overstromingen. Voor verdere gegevens over overstromingen, die in Friesland en in het IJsseldal rond die tijd hebben plaatsgevonden, verwijzen we naar WW2.
De geschiedkundige Gottschalk: stormvloeden en overstromingen in Nederland. Zij vermeldt een aantal historici die over de 6e eeuw geschreven hebben, de eeuw waarin het gevonden bos in Mastenbroek verdwenen zou zijn. De eerste historicus is Gregorius van Tours. Hij vermeldt rivieroverstromingen in Frankrijk over de jaren 580 t/m 591. Niet duidelijk is waar dat was. Waren het rivieren in het zuiden? van Frankrijk dan is dat niet relevant voor ons. Er is één uitzondering, het jaar 583, met overstromingen bij Parijs, wat wel relevant voor ons land kan zijn geweest.
Aimonus in de 11e eeuw schreef een geschiedenis over Frankrijk die gedeeltelijk op Gregorius is gebaseerd. Een hoofdstuk gaat over 580 en de volgende jaren. Hier wordt gesproken over overstromingen, jaartallen worden verder niet genoemd. Wel is te lezen dat een hevige storm bossen omver wierp, huizen verwoestte en mensen deed omkomen. Hij noemt geen jaartal. Een derde historicus (17e eeuw) is Schotanus. Hij viel op Gregorius en Aimonus terug. Hij nam de berichten van beiden niet exact over. Zo zegt hij dat de nazomer van 584 zeer nat en regenrijk was en dat er hevige winden waaiden. In Duitsland en Frankrijk zouden toen grote rivieroverstromingen hebben plaats gevonden, terwijl Friesland door een hevige zeevloed werd getroffen, die veel slachtoffers maakte. Daarna zien we herhaaldelijk in de Nederlandse literatuur het jaartal 584 opduiken in verband met een stormvloed in Friesland. Als aanvulling nog de volgende jaartallen: 586-587-589-594-600-626-680-688. Niet alleen in Nederland maar overstromingen teisterden toen geheel Europa.
We komen even terug op de datering die door de onderzoekers gedaan is door het jaarringen onderzoek. Zij geven het jaartal 531 aan als zouden de bomen toen gestorven zijn. In onze “waterrijke” gegevens komt het jaartal 533 voor. De publicist Steenstra, die verschillende geschiedschrijvers in 1843 heeft samengevat, heeft daar bij staan dat er wat discussie is over het jaartal want anderen zouden 570 vermeld hebben! In ieder geval moet er toen een noordwester storm geweest zijn die drie dagen heeft geduurd. De vloed zorgde er o.a. voor dat het gehele noorden van Friesland onder water kwam te staan. Veel bomen werden toen ontworteld. Bij Friesland moeten we niet denken aan het Friesland zoals we dat nu kennen maar Friesland besloeg in die tijd een veel groter gebied dat zich zelfs uitstrekte tot aan de Rijn en in bepaalde periodes van veroveringen tot in Frankrijk. Als er dan geschreven wordt over het noorden van Friesland moet je je wel afvragen waar dat kon zijn!

Er zijn een aantal grondboringen gedaan in Stadshagen. Een viertal liggen pal binnendijks van het Zwartewater (vanaf de sterke knik tot aan de Stadskolk gezien vanaf de stad Zwolle). Hier vinden we volgens de gegevens klei of zand, op de bovenkant van het zandpakket (dekzand II) maar geen veen. Met zand op zand wordt bedoeld dat er op het zandpakket een andere zandsoort ligt. (Stuifzand bijvoorbeeld) Een andere lijn, bijna gelijk met de hoofdweg die naar het kerkdorpje Mastenbroek loopt en gelegen is naast de Oude Wetering, geeft ons drie boringen. Twee daarvan geven 25 tot 30 cm. veen (amorf) aan op de bovenkant van het zandpakket en verder klei. Het geringe aantal boringen, hier genoemd, geven geen volledig beeld maar toch een bepaald karakter van het terrein weer. Het veen kan gedeeltelijk weggespoeld zijn of samengedrukt zijn maar zoals de situatie nu bekend is zal men hier niet bepaald denken aan een moerasbos. Veen moeten we zoeken meer in het westen van de polder. Een oude veenontginning voor turfwinning vinden we in de buurt van Grafhorst, de Koekoekpolder. Ook werden tijdens de wegomlegging ’s Heerenbroek-Kampen er bredere sloten gegraven. Hier kon men veenlagen waarnemen net als in het wegcunet. In 2007 werd voor het heien van palen voor een woonhuis langs diezelfde Oude Wetering, een sondering gemaakt. Het bleek dat op 4 meter onder het maaiveld er een zandlaag aanwezig was en op 8 meter. De palen werden door de eerste laag heen geslagen om zijn stevigheid te vinden op de op 8 meter diepte liggende zandlaag. Deze zandlaag zou de Oerlaag kunnen zijn die we ook al aantroffen op meerdere plaatsen in en rondom Zwolle op die diepte. (In de grote publicatie, Waternood-Watersnood 2 komen we daar op terug).

Dat men kienhout vindt in het riviergebied van het Zwartewater valt te verwachten. In het verleden is er wel meer wat gevonden zij het dan aan de overkant van het Zwartewater bij de aanleg van de eerste bouwfase van de wijk Holtenbroek. De naam Holtenbroek zegt het al, een woordcombinatie van bos en broekland. Over de oorzaken van het verval van het bos kunnen we, behalve de invloed van het water, evenzeer denken aan storm en ziektes.
Joop Kleuver schreef een boek over de Weerribben: De plantengroei in de Weerribben. Behalve dit beschreef hij ook de geologische geschiedenis. Het is de moeite waard om een aantal gegevens van hem hier weer te geven. Zo merkt hij op dat het vochtig wordende klimaat tijdens het Atlanticum (duurde ongeveer van 8900 tot 5700 jaar geleden) in de lagere kommen van de zandbodem een verdrinking van het bos veroorzaakte. De stervende bomen vergingen gedeeltelijk, en werden, onder invloed van de stijgende waterspiegel, tot bosveen met stobben, de zogenaamde kienstobben. We willen er aan toevoegen dat transgressiefases daar een belangrijke rol in speelden. In de Weerribben is dit tenminste eenmaal gebeurd schrijft Kleuver. Hier werd in het veen een kleilaagje aangetoond dat waarschijnlijk omstreeks 300 na Chr. daar is afgezet. Blijkbaar heeft dit lagere gebied langer en vaker bloot gestaan aan overstromingen.
Waar wij altijd op hameren bij een onderzoek is dat men N.A.P. hoogtes, indien mogelijk, moet weergeven. Zo bleek wat betreft de Weerribben dat ten noorden van het gebied, even boven het kanaal Ossenzijl-Steenwijk, geen veen voorkomt op de hoogte van de N.A.P. lijn. Was daar vroeger weinig tot geen water en dus geen veenvorming? Of is daar alles weggespoeld?
Behalve dit gegeven is er nog de door Egbert Dikken in 1986 gevonden paalweg bij de brandweerkazerne. Deze geeft uitsluitsel over het waterpeil van eind 12e eeuw. Dit was namelijk 1.2m - N.A.P.. Later werd door de archeologische dienst in de Zwolse binnenstad (Melkmarkt, de oever van de Aa die op het Zwartewater uitkomt) sporen van menselijke activiteiten uit de 11e en 12e eeuw gevonden op een diepte van 1.5m – N.A.P. Uit die gegevens van de Melkmarkt en brandweerkazerne kunnen we opmaken dat het waterpeil in de 12e eeuw aan het stijgen was. Gaan we wat verder terug in de tijd dan vermelden we de vondst uit de IJzertijd aan de Brinkhoekweg door Egbert. Het materiaal werd gevonden op een enkele meter afstand aan de rand van een oude waterloop van de Vecht. Er was geen klei of veen afgezet boven het IJzertijdmateriaal dat op een diepte lag van 0.09 m - N.A.P..

Onderzoekster Kooistra vindt het vreemd dat in de zware klei geen zand zit. Het kan niet van de Zuiderzee zijn zegt zij en moet dus van de Vecht zijn. Waarom moet er zand in zitten? Na de 13e eeúw en honderden jaren later is er veel zware komklei afgezet in de Mastenbroekerpolder. Het meeste door de IJssel maar in het noorden van de polder was het “zeeklei” waarbij een grens tussen beiden moeilijk is weer te geven. De veel latere kleiafzetting sloot de gevonden boomresten af wat gunstig was voor de conservering.
Een tweede opmerking van haar is dat de klei geen zilt bevatte, het kon dan niet van de Zuiderzee zijn. Onze geologe praat echter over een periode ver voordat de Zuiderzee ontstond en wel over een periode van zes eeuwen na onze jaartelling. Toen was er het Flevomeer en dat was niet zout maar had zoet water! (Na de stormvloed van 1170 was het Flevomeer, dat eerst een zoetwaterreservoir was, brak geworden door de eb en vloed invloeden en werd de naam Almare/Almere gebezigd. Pas later werd het Zuiderzee genoemd en na de aanleg van de afsluitdijk werd het IJsselmeer).
Kooistra: Van 157 voor Chr. tot 586 na Chr. lag er een moerasbos dat door stijging van de zeespiegel grotendeels in een meer is veranderd. De grootte van dat meer wordt door haar geschat op 10 tot 20 km². Nemen we nu eens aan, een oppervlakte van 4 bij 5 km. en zetten die af westelijk van de “heuvelrug” (wat voor rug Kooistra?) waarop Zwolle zou zijn ontstaan dan krijgen we een gebied waar het huidige Westenholte, Stadshagen tot de nieuwe rondweg naar Hasselt in liggen en noordelijk nog een deel van de Mastenbroekerpolder waar de Milligerplas in ligt. Dit is maar een voorbeeld. Het dekzandgebied van Salland heeft een geleidelijke helling van 50 cm/km met een noordwestelijke richting. Zou dit meer tot de 9e eeuw hebben bestaan dan betekent dat dat het meer veel groter is geweest zowel in noordelijke richting als in westelijke richting gezien het aflopende oppervlakte en reikte tot aan het Flevomeer. Tevens moet de zeespiegel veel hoger zijn geweest anders stroomde het meer leeg. Zwolle moet dan aan het Flevomeer ontstaan zijn en eigenlijk in het meer of in een moerasgebied waar een enkele zandkop boven het water was gelegen en waar bewoning kon plaats vinden.
In het krantenartikel nog de opmerking: “Na de millenniumwisseling beginnen de mensen het meer af te graven en te ontpolderen en ontstaat langzaam maar zeker de huidige Mastenbroekerpolder”. (Hoe zouden ze dat hebben klaar gespeeld? Is het nu inpolderen of ontpolderen?) Al met al een zeer discutabele stellingname van de onderzoekers.

Als slot onze conclusie: Als we de datering van het jaarringenonderzoek van de onderzoekers koppelen aan die van de 3-daagse stormen van 533 is het waarschijnlijk dat die stormen de oorzaak geweest zijn. Dat een vulkaanuitbarsting of natuurramp de klimaatsverandering veroorzaakt zou hebben blijft discutabel.
Kleuver wijst er in dit verband nog op dat een klimaatsverslechtering tot omstreeks 800 aanhield. Daarna herstelde het klimaat zich. Op een tijdvak van 1000 jaar of meer zegt het niet veel of men tien of twintig goede dan wel slechte jaren mee maakt. Sterker nog, we weten niet zeker of de achterliggende ijstijd wel definitief het einde is. De zee kon geleidelijk tot het “tegenwoordige” N.A.P. stijgen. In onze tijd hebben we stormen meegemaakt die in grote delen van Europa enorme schade aanrichtten in de bossen. Een van de laatste grote stormen dateert van 1973. Behalve in Nederland had vooral Duitsland grote schade in de bossen. En laten we niet vergeten de storm van 18 januari 2007. Achteraf bleek deze laatste storm meer schade aangericht hebben dan eerst werd aangenomen. Vele duizenden bomen legden het loodje. Als oorzaak werd aangegeven, omdat het de weken ervoor veel geregend had, dat de wortels geen houvast meer in de drassige grond gehad zouden hebben. Vreemd is dan wel dat op de hoge zandgronden rondom Dalfsen, Ommen en de Lemelerberg er veel schade was terwijl de omgeving echt niet drassig was! (Eigen waarnemingen). Deze stormen richtten hun schade aan binnen 24 uur.
Overstromingen kunnen lange tijd duren maar jaren? Waarschijnlijk dat er bedoeld wordt “Jaarlijks terugkerend?”
In het artikel over de vondsten in Stadshagen wordt gesproken over onophoudelijke regenval (over jaren) waardoor zeespiegelrijzing en een meervorming rond Zwolle optrad. In dit geval gaat het waarschijnlijk om een paar flinke stormen met rivieroverstromingen die de schade aanrichtte. Verder moet men er niet te veel aan vast knopen.

Dat hier mee ”het enige oerbos in Nederland” is gevonden mag ieder voor zich zelf beoordelen. Eén opmerking willen we nog maken; In mei 2000 gaf Clevis nog aan dat de IJssel rond de jaartelling dijken gehad zou hebben. In het artikel uit 2003 geeft hij aan dat die datum niet houdbaar meer is. Hoe geloofwaardig ben je dan als archeoloog!! Rond 1200 waren de dijken doorgaans slecht, maar met de Guyendijkenbrief in 1308 kwam er een regeling voor dijkverbetering tussen Ter Hunnepe en de ‘zee” aan de Overijsselse kant. “Zee” wil zeggen de hoogtes in de buurt van Grafhorst die een natuurlijke barrière vormden. In dat zelfde jaar geeft de bisschop een dijkrecht aan het land tussen Ter Hunnepe en de zee aan die kant van de IJssel, waarop Deventer ligt. Later wordt dit gebied aangeduid als de Sallandse Schouw.
Berichtgeving over vroegere dijken, die volgens Clevis dan van rond de jaartelling geweest zouden moeten zijn, langs IJssel, zal dan wel in de Fabeltjeskrant gestaan hebben! Er is alleen bekend dat in 634 Koning Argillus 1 er van doordrongen werd dat hij zijn volk moest beschermen tegen het steeds maar weer opnieuw stijgende water. Hij liet daarom een begin maken met het aanleggen van woonheuvels en terpen. Tevens moesten zeeweringen en in het binnenland lichte dijken aangelegd worden. Projecten waar men in die tijd vele tientallen jaren over deed, zo niet honderden jaren! Bij tussentijdse overstromingen kon men vaak opnieuw weer beginnen.
De Zwolse Courant nogmaals: “Het wetenschappelijk onderzoek naar het Zwolse oerbos is puur toevallig op gang gekomen. Clevis kende dr. Laura Kooistra, een botanicus, al twintig jaar. Beiden ‘betrokken’ Maja Kooistra, de oudere zus van Laura en de dendrochronologe dr. Ute Sas bij het onderzoek. Het viertal ging vervolgens op ‘jacht’ naar geld. Toen men voldoende had binnengehaald, kon het onderzoek van start gaan. Het resultaat, na twee jaar onderzoek, is volgens Clevis adembenemend”.
Ja inderdaad, adembenemend; ons heeft het in ieder geval de adem ontnomen door zoveel onzin in het krantenartikel. Wij verbazen ons er echter over dat vanuit de wetenschap niet een correctie over dit onderzoek in de krant heeft gestaan want dan geef je tenminste recht aan de zaak. Waarschijnlijk is dergelijk artikel niet verschenen omdat de gelederen gesloten diende te worden? Erger nog; vanuit de Geologische vereniging worden de gegevens aanbevolen voor verder wetenschappelijk onderzoek!!!
Deze publicatie kan niet los gezien worden van de grote publicatie die de komende maanden onder Waternood-Watersnood 2 op de site geplaatst gaat worden.

Eerdere tekst van maart 2007 (bijgewerkt 11 november) 2009

Auteurs:
Drs. Herman Kamphuis
Egbert Dikken