Inhoudsopgave


WAAR WAREN WARE OF WAT WAREN DE WARE WARE IN WINDESHEIM? I

Een artikel van Egbertus Dikken en Hermannus Kamphuis. Wij vragen u om concentratie en veel geduld om dit allemaal door te worstelen.


Een aantal opmerkingen over de artikelen ‘Tussen keizer en klooster’ (A) in ‘Windesheim, studies over een Sallands dorp’(Windesheimerboek), een uitgave van de IJsselacademie 1987 en ‘Windesheim, klooster in discussie’ (B) in het Zwols Historisch Tijdschrift nr. 3, 1988. Beide geschreven door R. van Beek (Van B.). De publicaties zijn ondermeer bedoeld om de locatie en de grootte van het hof van Windesheim, waarop het klooster gebouwd zou zijn, vast te stellen. De auteur begint artikel A met: ‘De oudste geschiedenis van Windesheim is in feite niets anders dan de geschiedenis van zijn vijf oorspronkelijke hoeven en de geschiedenis van diegenen die deze hoeven in eigendom, leen of erfpacht bezaten.
In Wyndesem synt VIJFF HOEVE ELCK H0FF IS VIII WARE. Zo luidt de AANHEF in het boek van verdeling van de polder Mastenbroek. Genoemd worden personen, soms ook erven, die grond in Mastenbroek kregen toegewezen’. (Deze polder is in 1364 verdeeld onder de omliggende buurschappen en steden die rechten (waren) daarop hadden. Deze rechten behoorden bij de oorspronkelijke erven.)

Met betrekking tot onjuiste weergave en conclusies die Van B. maakt in zijn artikelen hadden we onze kritiek kort kunnen houden door alleen maar te verwijzen naar Mr. G.A.J. van Engelen van der Veen (afkorting: Van Engelen), Marken in Overijssel 1924. Daar staat namelijk op blz. 74: ‘dat in de hoevenlijst van Salland van omstreeks 1300 Windesheim voorkomt met 32 waerschapen en TWEE HOEVEN’. Dus als Van B. het over de oorspronkelijke hoeven heeft komen deze twee uit 1300 dachten wij eerder als ‘oorspronkelijk’ in aanmerking dan de vijf die hij opvoert.

Maar er zijn meer onjuistheden in Van B’s artikelen. Omdat ook de tekst van Van Engelen bij ons vragen opriep zijn we wat dieper in deze moeilijke materie gedoken. Daarbij kwamen vreemde zaken naar voren. Omdat wij vinden dat u recht heeft op een zo goed mogelijke weergave van historische bronnen is ons artikel langer geworden dan de bedoeling was. Wij willen dat u met de in dit artikel verwerkte gegevens zelf kunt vaststellen hoe betrouwbaar de artikelen van Van B. en andere historici zijn.
Om nog even op de oude geschiedenis van Windesheim terug te komen. Het in Windesheim gevonden archeologisch materiaal, dat beschreven is in hetzelfde Windesheimer boek, is ook uit een veel oudere tijd dan de ‘oorspronkelijke’ 5 hoeven van 1364! die Van B. wil zien. In het weiland naast de huidige kerk werd namelijk ONDER een zandduin, die altijd als 10 000 jaar oud werd gezien, een huisplattegrond van een prehistorische boerderij uit de midden-bronstijd (± 3000-4000 jaar geleden) gevonden. Dit als voorbeeld, dat het artikel (A) vanaf het begin al sceptisch gelezen moet worden. Wij vinden namelijk dat als er o.a. geschreven wordt over ‘oorspronkelijke hoeven’ je de lezer wel goed moet inlichten wat oorspronkelijk is en niet zomaar een aanhef moet gebruiken om je artikel geloofwaardig te doen overkomen.
Van B. stelt verder in zijn artikelen dat er: ‘voor hoeven een vaste structuur in Salland is, die gefundeerd moet zijn in de Karolingische tijd’. Dit betekent volgens hem dat: ‘alle middeleeuwse boerderijen in Salland een oppervlakte hebben aan grond die gelijk is aan, of afgeleid is van een oppervlakte per hoeve van 16 morgen (= ca. 20 ha.)’. Hij beweert dan: ‘het aantal bij een volle hoeve behorende waren was overal in Salland 4’ (blz. 20 A). ‘In Windesheim’, zo berekent hij op blz, 17 (A), ‘zou de hoeve een oppervlakte van 32 morgen moeten hebben!, dus circa 40 ha(1). Deze spontane afwijking van de ‘vaste’ structuur in Salland verklaart Van B. door de aanhef: ‘In Wyndesem synt vijff hoeve elck hoff is VIII ware’ uit het markeboek van Mastenbroek te beschrijven en daarmee berekeningen uit te voeren.
Elck hoff is VIII WARE betekent volgens Van B.: ieder erf is acht waren GROOT! Ook stelt hij: ‘Eén waar (= aandeel in de marke) is in Salland gelijk aan 4 morgen of bijna 5 ha(2). De grootte van ieder van de vijf erven of hoeven in Windesheim, schrijft hij, bedroeg dus 8 maal 4 = 32 morgen of bijna 40 ha.
Bij de verdeling van Mastenbroek kreeg Windesheim ook zijn deel. Dit geschiedde ‘volgens de auteur’ op grond van de grootte van de in de buurschappen en in de marke gewaarde oudhoevige erven. Dat waren de oorspronkelijke erven. Per waar of 4 morgen grond in de eigen buurschap kreeg men in Mastenbroek 6 morgen grond toebedeeld. Dat betekende dat ieder van de vijf oudhoevige erven in Windesheim, waarvan verschillende intussen onder meerdere eigenaren, c.q. bezitters, waren verdeeld, 8 maal 6 = 48 morgen of bijna 60 ha grond In Mastenbroek kreeg (3).
Ook vermeldt de auteur twee lijsten. Hij noemt deze hoevenlijsten! Hij schrijft: ‘Dat Windesheim van oudsher vijf volle hoeven in zijn buurschap had, blijkt ook uit een omstreeks 1310 opgemaakte lijst (4). Deze laat in middeleeuws Latijn een opsomming zien van de toen bestaande oudhoevige erven in Windesheim en van eigenaren, c.q. bezitters van deze erven. Deze lijst komt voor in de (leen)registers en rekeningen van het Bisdom Utrecht van 1325- 1336. De tweede lijst: uit een iets latere tijd’ (5). (Dus één lijst van omstreeks 1310 en de ander gedateerd 1328. Met deze lijsten die 18 jaar tijdsverschil hebben heeft Van B. gewerkt.) Ook willen wij één bepaalde opmerking benadrukken. Op blz. 19 (A) staat o.a. in de voetnoot, 1 hovas (=1 hoeve) = 32 morgen in Windesheim. Eén dagmaat = twee morgen. Van B. stelt hier dus vast dat 1 hovas gelijk is aan 1 hoeve. Aldus in het kort samengevat de beide artikelen van Van B.

De vraag is waar Van B. de wijsheid vandaan gehaald heeft

Onder noot 2 (A) noemt Van B. een tweetal auteurs die hij als oorspronkelijke bron gebruikt heeft en wel Van Doorninck en Van Engelen. Daarnaast refereert Van B. vaak naar eigen publicaties (6). Hierin worden steeds dezelfde twee auteurs als uitgangspunt gekozen. Als eerste citeren wij Van Doorninck en als tweede Van Engelen.


J. van Doorninck

De conclusie één hoeve = 16 morgen zou volgens Van B. afkomstig moeten zijn van J. van Doorninck. ‘Hoe is de stad Kampen aan het regt van eigendom en altoos durende aanwas der Kampereilanden gekomen?’ (VMORG, 1871, blz. 38). Van Doorninck behandelt daar de kwestie tussen Bisschop Jan van Arkel en Zweder van Voorst over de verdeling van Mastenbroek. In 1363 wordt dan gesproken over een toezegging van 10 hoeven of 160 morgen. Van B. concludeert hier uit dat één Sallandse hoeve een oppervlakte heeft van 16 morgen. Het woord Salland wordt niet genoemd door Van Doorninck.
In de artikelen van Van B. wordt gesproken over een vaste structuur in de Karolingische tijd wat betreft de grootte van een hoeve. Zo ver hoeven we in de tijd niet terug te gaan. De auteur heeft verzuimd de voorgaande regel van diezelfde blz. 38 (Van Doorninck) te vermelden en wel dat in 1349, bij een vredesverdrag, de Bisschop de fam. Van Voorst 11 hoeven of 224 morgen toezegde. Een heel andere maatverdeling, als je de deling hoeven op morgen wilt toepassen. Voor de duidelijkheid citeren we de belangrijkste alinea van blz. 38: ‘Bij de arbitrale uitspraak tussen Bisschop Jan van Arkel en Heer Zweder van Voorst van 1349, alsmede bij het vredesverdrag, tusschen den eersten en de zonen van de laatsten van 1363, had die Bisschop voor zijn hoofd, maar niet op de naam der gezamelijke erfgenamen van die marke, aan dat adellijk geslacht eerst (1349) 11 hoeven of 224 morgen, daarna (1363) 10 hoeven of 160 morgen boven deszelfs aandeel toegezegd, en daarom heeft hij die 160 morgen, zowel uit zijn voorslag, als uit het op hem overgedragen aandeel der stad Kampen moeten vinden, zonder daardoor de gewaardheid der overige erfgenamen in eenige deel te krenke’.

Ten overvloede: Van Doorninck concludeert op blz. 38 nergens dat een Sallandse hoeve 16 morgen aan oppervlakte heeft. Van B. heeft deze foute conclusie zelf getrokken. Dat een deling, zoals Van B. heeft toegepast, niet reëel is blijkt ook uit de tekst op blz. 37. Daar geeft Van Doorninck aan dat in 1364 ‘de stad Kampen ruim 27 hoeven of ruim 400 morgen gronds aan de Kampereilanden in specialen eigendom ontvangen’. We hebben nu maar liefst drie verschillende opgaven: (1349) 11 hoeven of 224 morgen, (1363) 10 hoeven of 160 morgen en (1364) 27 hoeven of 400 morgen.


Van Engelen van der Veen

De tweede auteur die door Van B. genoemd wordt is G.A.J. van Engelen van der Veen, ‘Marken in Overijssel, Geschiedkundige atlas van Nederland’, 1924, blz. 74 en 75. Deze zou de vaststelling gedaan hebben dat een volle hoeve 4 ware zou hebben In Salland. Van Engelen schrijft ondermeer op die blz.: ‘In de hoevenlijst van Salland van omstreeks 1300, komt Windeshelm voor met 32 waerschap en 2 hoeven. (7) Daar eene hoeve gerekend werd op vier waren(?) komen wij voor Windesheim tot veertig waren (8) welk getal overeenstemt met de verdeelingsacte van Mastenbroek (9). Het aantal hoeven in Windesheim dat volgens de markecedule van 1496 slechts vijf bedroeg is later door splitsing aanzienlijk uitgebreid’, (10) aldus Van Engelen. Meer conclusies worden niet getrokken en meer gegevens worden niet vermeld. Met deze weinige gegevens heeft Van B. vastgesteld dat één ware in Salland gelijk stond aan vier morgen eigen grond door de hoeve, die hij dus zelf op 16 morgen gesteld heeft, te delen door vier ware. Simpeler kan het niet. Nu blijft de vraag waar Van B. zijn bewering vandaan heeft gehaald, 'dat men per ware zes morgen grond in Mastenbroek kreeg toegeweze’. Hij geeft daarvan geen bronvermelding. Omdat Van B. steeds uitgaat van gegevens die door de twee reeds eerder genoemde auteurs worden aangedragen, hebben wij aangenomen dat daar zijn uitgangspunt moet liggen. Zijn stelling is waarschijnlijk gebaseerd op de verdelingslijst die Van Doorninck heeft gepubliceerd. Deze beweert dat Windesheim 240 morgen zou hebben gekregen (blz. 80, zie ook noot 3). Van B. heeft de aangenomen 40 ware (11) gedeeld op de 240 morgens en moet daaruit geconcludeerd hebben dat één ware recht geeft op zes morgen in Mastenbroek. Toen wij de per persoon toegewezen aantal morgens in de lijst van Van Doorninck optelden kwamen we op een totaal van 251.

Wij hebben die lijst in het markenboek van Mastenbroek eens gecontroleerd en daar bleek heel duidelijk 251 te staan (blz. 13 van het Markeboek). Ook het meetcedule in Kampen geeft als som 251 morgen aan.
Het is ons niet duidelijk waarom Van Doorninck 240 morgen vermeldt.

De voorzijde van het Markeboek van Mastenbroek en het onderste gedeelte van de lijst die op pagina 12-13 staat van dat boek.
Vertaald: ‘Somma van Winsemerslag CCLI (251) morgen’.

Wantrouwig geworden wat betreft historische publicaties controleerden we de rest van de lijst. Meerdere ‘tel’fouten kwamen erin voor.

Enkele voorbeelden:
Bij Harstenhorst vergeet Van Doorninck tien morgen.
Bij Wilsum noteert hij vijf morgen teveel.
Verscheidene malen heeft hij zelf bepaalde toevoegingen in de lijst genoteerd. Teksten waar hij waarschijnlijk niets mee kon doen heeft hij weggelaten. Al met al is de gepubliceerde lijst van Van Doorninck onbetrouwbaar. Daar er aan Windesheim 251 en niet 240 morgen toegewezen werden, kan de bewering van Van B. ‘één ware = zes morgen’ niet juist zijn.
Kijken we wat Van Engelen hierover heeft geschreven, dan vinden we op blz. 90 de opmerking: ‘per ware werd zes morgen, hier iets meer elders iets minder toegedeeld’. Na bestudering van zijn artikel moet de tekst ‘iets meer, iets minder’, volgens ons ruim gezien worden!
We vermelden alleen maar enkele zaken die betrekking hebben op de ‘zes morgen’. Van Engelen blijkt allerlei delingen en vermenigvuldigingen toegepast te hebben om zijn beweringen kloppend te maken. Als het gunstig uitvalt vermeldt hij wel bepaalde gegevens en zo niet dan wordt niets vermeld. Ook heeft hij gegevens van grondverdelingen gebruikt (12), die in de jaren vóór 1364 hebben plaatsgevonden en die totaal anders zijn. Hij gebruikt ze om die van 1364 aannemelijk te maken. Vaak verwijst hij naar de (onbetrouwbare) lijst van Van Doorninck. Ook bij Windesheim doet hij dit zoals boven reeds is opgemerkt. Tijd en getallen zijn door elkaar gehaald. In zijn eigen publicatie bewijst Van Engelen dat de stelling: ‘één ware krijgt bij de verdeling in 1364 plusminus zes morgen’ niet juist is.
Enkele voorbeelden: Zuthem, blz. 76, krijgt volgens Van Engelen drie morgen per ware. Ittersum, blz. 78, krijgt 8,3 morgen per ware. Bij zijn verwerking gebruikt hij de voorslag van Hasselt om beter uit te komen. Spoolde, blz. 80: ‘Bij de verdeling ontving zij 106 morgen, wat neerkomt op achttien waren’. Hij schrijft dan verder: ‘volgens de markeboeken waren er echter vierentwintig’. Dus 106:24 = ongeveer 4,4 morgen. O.a. bij Schelle en Zwolle worden geen ware gegeven, maar hij stelt ze zelf vast: ‘Schelle zou dan 27-28 waren hebben en Zwolle 40 waren’ (13).
Het is nu wel duidelijk dat men voor verschillende beweringen uitgegaan is van een bepaalde stelling. Om die stelling te bewijzen goochelt men dan met getallen, voor zover ze in hun kraam te pas komen, waarbij grondoppervlakte en gerechtigheden op elkaar gedeeld of vermenigvuldigd worden! Men gaat zelfs nog een stapje verder door met dit soort berekeningen o.a. bewoners- aantallen in Salland, Drente en Twenthe vast te stellen! Ook het grondbezit van de Van Voorsten is zo vastgesteld! Voor ons staat nu al wel vast dat één en ander herzien moet worden.


    Noten

  1. Van B. heeft in eerdere publicaties altijd beweerd dat één hoeve 16 morgen is o.a. in Westerheem 6-1981 blz. 258. Daar schrijft hij: ‘Uit hist. bronnen over Salland blijkt onomstotelijk dat een vol, dus ongesplitst erf, vier waren in zijn marke bezat en een grootte had van 16 morgen of bijna 20 ha. NU blijkt plotseling dat er ook afwijkingen zich voor kunnen doen. Windesheim is dus de bekende uitzondering op de regel. Nu leert de logica dat een uitzondering betekent dat de regel niet juist is.
  2. Dit zou volgens Van B. betekenen dat iedere hoeve met minimaal 4 morgen grond, tenminste één ware moet hebben! Van B. berekent alles met de Sallandse morgen van 1,23 ha (blz. 17 A) ongeacht welke eeuw.
  3. Dus volgens Van B. zijn berekening krijgen deze vijf hoeven samen 5 maal 48 = 240 morgen.
  4. Afgedrukt in Werken Historisch Genootschap nw. reeks 54, 580 S. Muller 1889. Wij vonden deze lijsten ook in Bijdragen 0verijsselse Geschiedenissen deel 8 blz. 107. ‘Voorslagen in de marke’. Van Doorninck 1886. Hierin zijn meer lijsten afgedrukt. Wij willen in de noot alvast aangeven dat er verschillen bestaan tussen de in de verschillende publicaties afgedrukte lijsten. O.a. is bij de lijst van Muller, die Van B. gebruikt, t.o.v. welke Van Doorninck heeft afgedrukt, bij de naam Bona dicti Daling van de Dese 1 hont verschil te zien! Niet veel maar toch.
  5. Markeboek Mastenbroek nr. 902 Rijks Archief te Zwolle (blz. 228). De lijst blijkt te zijn afgeschreven in 1574 van een rol die moet dateren van 1469. Deze rol is aanwezig op het huis Dorth. (blz.229). Bij navraag bleek dat dhr. Mensema van het Rijksarchief een onderzoek had gedaan naar de op de lijst voorkomende namen. Hij geeft als datering 1328. Het markeboek is afgeschreven in 1574 naar de ‘oldeste naemen’.
  6. Meten in de marke. Het verhaal van een marke die niet bestond. VMORG. 91e druk 1976. Zwolle in de Middeleeuwen 1980 blz. 88. ‘Ach lieve tijd 750 jaar Zwolsen, Zwollenaren en het prille begin’, blz. 39-41. Westerheem XXX 6 1981 ‘warendeIen’, blz, 257, Het kasteel Voorst; Macht en val van een Overijsselse burcht. ArtikeI burcht en bezit.
  7. Deze Sallandse hoevenlijst is door ons gezocht in het Rijksarchief te Zwolle waar hij volgens Van Engelen (blz. 27) te vinden moest zijn. Omdat het zoeken niets opleverde is aan de dhr. Mensema gevraagd of hij iets van die lijst afwist. Mensema verwees ons naar blz. 228! van het markeboek en vertelde dat dit de oudste lijst was. Omdat Van Engelen schreef over 32 waerschap en 2 hoeven en deze tekst niet op blz. 228 voorkomt zal er nog ergens een lijst moeten zijn.
  8. Van Engelen stelt hier waerschap gelijk met ware, Wij kunnen evengoed stellen dat er 2 hoeven zijn met 32 waerschap (een aantal gerechtigheden). Waar Van Engelen die 4 waren vandaan haalt is op blz. 74 en 75 onduidelijk. Wel is op zijn blz. 40! te lezen dat hij twee lijsten, die informatie zouden bevatten over het Lierderbroek met elkaar vergelijkt. Hij schrijft: ‘volgens de hoevenlijst van ongeveer 1300 kende men in het Lierderbroek gerechtigden, die ene hoeve en anderen die ene ware bezaten’. Dan stelt Van Engelen: ‘Ene vergelijking met de lijst van bisschop Guy leert ons, dat ene hoeve gelijk stond met 4 ware’. Nergens zijn deze bewijzen te vinden. Om zijn beweringen in die publicatie kloppend te maken haalt Van Engelen allerlei aktes, tijden en getallen door elkaar. Wij komen daar nog op terug.
  9. Van Engelen verwijst naar Van Doorninck blz. 63, 6e stuk VMORG. Hierin is ook opgenomen de lijst van verdeling in Mastenbroek, de zgn. Verdelingsacte. Van Doorninck zegt deze overgenomen te hebben uit het 8e boek met ene hand van de 15e eeuw beschreven en dhr. Heerkens toebehorende. Bedoelt hij hiermee het in 1574 afgeschreven (dus 16e eeuwse) markeboek of bestaat er nog een ander? Van Doorninck vermeldt enkele malen als kopje boven de lijsten ‘Hoc tempore’ (Op dit ogenblik). In het markeboek van 1574 staat daarvoor in de plaats ‘heft’. Of er verschillende boeken zijn of niet, bij de afschrijving is erop DAT moment een gegeven hoeveel een marke aan waer ‘heft’. Ook andere tekstkopjes, die gaan over de aantallen maden of hoeven (have?) zullen uit de tijd van afschrijving zijn. Gegevens van vroegere tijden zullen aangepast zijn. (Denk o.a. maar aan de zin ‘op nieuwe kondige namen gezet’, die vaak in het markeboek voorkomt.)
  10. Welk markeboek bedoelt Van Engelen, dat van Mastenbroek of van Windesheim? Het boek dat Van Engelen aangeeft als G.A, no 968, is op het gemeentearchief niet te vinden. Dhr. Admiraal die ons hielp vertelde nog wel dat de markeboeken van Windesheim bij het bombardement van 22-10-1944 verloren zijn gegaan! Als in het markecedule van 1469 staat, slechts vijf hoeven, waarom zou dan niet in het in 1574 afgeschreven markeboek de aanhef erbij geplaatst kunnen zijn? In het markeboek zijn meerdere bijschrijvingen te zien. Zelfs in 1635 (blz. 145b,) werd dit nog gedaan. Vreemd is dat in het meetcedule van Mastenbroek, Kamperarchief Polder Mastenbroek nr. 39, welke o.a. ook de lijst bevat van de verdeling (blz. 16) er geen aanhef bijgeschreven is! Ook de uit de tijd van het in 1574 afgeschreven markeboek rechthebbenden, staan er niet in vermeld. Het meetcedule heeft geen datum van afschrijving. Het beslag op de perkamenten kaft en de losse bindbladen van een bijbel duiden op een datering uit de 2e helft van de 16e eeuw. (Met dank aan de medewerker van het Kamperarchief.) Van Engelen vermeldt 2 hoeven uit omstreeks 1300. Van B. beschrijft een aanhef die zou zijn uit 1364 en vindt daar een bewijs! van in de eerste ‘hoeven’lijst van omstreeks 1310. Het markecedule geeft 5 hoeven In 1469 aan. Wat ons vreemd aandoet is dat er dan tussen pakweg 1310-1469 geen één hoeve meer is bijgekomen. Had de stichting van het klooster in 1387 hier mee te maken of gaan de lijsten over kerkelijke eigendommen? (Zie ook noot 23.)
  11. Van B. schrijft op blz. 20 (A): ‘Uit de 2e lijst blijkt dat een volle hoeve in Windesheim gelijkgesteld werd met 8 ware, hetgeen met de aanhef in het boek van verdeling van Mastenbroek overeenstemt’. Bepaald niet waar!!! Van B. stelt de vermelde 8 waerschap uit die lijst gelijk met ware, wat ook in diezelfde lijst voorkomt. Over de andere aanduidingen in die lijst wordt niet gesproken. De aanhef geeft niet aan dat een hoeve 8 ware heeft. Er staat: ‘elcke hoff is viii ware’.
  12. Van Engelen doet ook berekeningen met gegevens van lijsten uit R&R van Muller waarvan niet zeker is of het voorslagenlijsten zijn van de Bisschop. Zie Van Doorninck Voorslagen in de Markt blz. 110-111. Van Doorninck behandelt in dat artikel de Novale of Nijbrek (nieuw aangebroken land) tiende, de voorslagen en de novale tiende van elk uit de markt toegeslagen land op blz. 107-108. Dus de Bisschop kon driemaal iets verkrijgen. Of dit ook driemaal apart vermeld werd in lijsten of dat het bij elkaar opgeteld werd en dan beschreven is een vraag. De lijst die Van Engelen gebruikt kan van één van de drie toewijzingen zijn. Uit een aantal berekeningen van Van Engelen konden wij met moeite opmaken dat de Bisschop max. ongeveer 7,5% ontving, maar meestal was het percentage lager. Dus het gezegde “de Bisschop ontving altijd een tiende deel”, gaat bij de berekeningen van Van Engelen niet op. Van Doorninck geeft op blz. 107 aan dat het niet zeker is of de Bisschop altijd een tiende ontving. Bewijzen daarover ontbreken, zegt hij.
  13. Op blz. 80 vermeldt Van Engelen dat de marke Zwolle in 1364 bij de verdeling 242 morgen krijgt, wat neerkomt op ongeveer 40 ware! De stad Zwolle krijgt 210 morgen. Van Engelen stelt daarbij geen ware vast. In de publicatie ‘Zwolle in de middeleeuwen’ blz. 88 doet Van B. dit wel. Hij stelt daar dat de in Zwolle oudhoevige erven voor 35 ware gerechtigd waren. Hij schrijft dan verder: “Aangezien ieder vol d.w.z. ongesplitst oudhoevig erf 4 ware in zijn marke bezat, moeten er oorspronkelijk 9 volle hoeven in Zwolle gestaan hebben”. Let op! Wilt u even meerekenen? 9 hoeven, iedere hoeve 4 ware, 9 maal 4 = 36 ware; 36 maal 6 morgen = 216 morgen. Over de gegevens dat de marke 242 morgen krijgt en de stad er 210 geeft Van B. geen uitleg.