Inhoudsopgave


DRINKGLAZEN

Glas en dan vooral de drinkglazen zijn, door hun kostbaarheid, in het verleden altijd luxe voorwerpen geweest. Daardoor kwam het hoofdzakelijk voor bij de welgestelden. Deze gebruikten het drinkglas niet alleen om uit te drinken maar ook werd het glas in pronkkasten uitgestald. Glasproductie, herkomst en datering staan al vele jaren ter discussie.

Bij gevonden drinkglazen kunnen enkelen de discussie weer aanwakkeren, c.q. verhelderen. Zelf noem ik de twee 14e eeuwse glazen, welke, buiten een fragment in Deventer, nog niet eerder gevonden zijn. Ze zijn dan ook zeer uniek te noemen. Later zal ik op deze site alle bijvondsten afbeelden zodat er geen misverstanden over de datering zullen bestaan.


1e Loodglas is 94 mm hoog
2e Loodglas is 107 mm hoog
Productie waarschijnlijk Noordwest-Europa


Deze bij elkaar gevonden drinkglazen bestaan uit smaragdgroen glas. De goudgele glasrand 8-10 mm is onder de cuppa-rand versmolten met het smaragdgroene glas. De gewonden glasdraad en de uitgeknepen draad, die als standring dienst doen, zijn bij beide, ook van goudgeel glas. De glazen zijn grotendeels met een schitterende zilverkleurige irisatie bedekt, Het smaragdgroene glas is gemiddeld 0.4 mm dik. De bijvondsten kunnen gedateerd worden tussen 1350-1400 (’s-Hertogenbosch, Janssen, 1983, Blauwgrijs met een standring. afb. 24 nr.2-4, Siegburg aardewerk o.a. afb.9 nr. 3.).
In het boek ‘Phonix aus Sand und Asche, Glas des Mittelaltess ; 1988, is op bladzijde 163 een fragment van een glas afgebeeld en beschreven dat in Deventer werd gevonden. Het komt haast overeen met het bovengetekende linkerglas (1). Het heeft een ronde glasdraad, terwijl (1) door een meer vierkante draad is omwonden. Tevens ontbreekt bij het Deventer fragment, in tegenstelling tot de Zwolse vondst de cuppa-vorm. Het Deventer fragment wordt in het boek als 13e-vroeg 14e eeuw gedateerd. De golving, die in de dunne glaswand te zien is, moet zijn ontstaan tijdens het omwikkelen van de gloeiende glasdraad om het glashuis. Om deze golving goed weer te kunnen geven heb ik de wand iets dikker getekend dan de 0.4 mm (dikte van het glas).



Rechts: fragment van een Pasglas (9 in de tekeningen)
Links: fragment Berkemeier op voet (7)

Beiden werden in één beerput gevonden en
kunnen gedateerd worden tussen 1525-1550


Een groot gedeelte van het zogenaamde ‘Waldglas’, wat van voor 1600 is te dateren, moet uit Duitsland afkomstig zijn. Bij het glaswerk van rond 1600 en later, zal men er rekening mee moeten houden dat de toen hier in de Nederlanden aanwezige glasblazers veelal uit de landen kwamen waaruit eerst werd geïmporteerd. De stijlen en technieken welke meestal familiegeheimen waren, gingen van vader op zoon over. Zodoende kan en zal er altijd verwarring rond de herkomst van het glas blijven bestaan.

De vele glasfragmenten, die ik uit de beerputten gered heb, zijn meestal aangetast door de daarin aanwezige zuren. Toch zijn er nog vele goede stukken overgebleven die met heel veel geduld en voorzichtigheid (vaak is het glas maar enkele tienden van een millimeter dik) in elkaar gelijmd zijn. Zodoende konden er ruim 60, zeer goed te tekenen, drinkglazen afgebeeld worden. Verder zijn enkele afwijkende glasvondsten opgenomen.

In de 80er jaren van de vorige eeuw kwamen er boeken op de markt m.b.t. archeologie en dan hoofdzakelijk over het Stadskernonderzoek. Steden als Amsterdam, ‘s-Hertogenbosch, Groningen, Antwerpen, Brugge en niet te vergeten de verschillende Rotterdam Papers. Wat mij opviel was dat er in verhouding weinig over glas in te lezen was. Ook een chronologisch overzicht ontbrak vaak. Waarschijnlijk dat dit te maken had met de desinteresse om al die kleine scherfjes uit de beerputten te verzamelen en de onkunde om een goede restauratie van de scherven uit te voeren.
Toen ik, na 3 jaar er aan gewerkt te hebben, in 1989 het Zwols Archeologische Dagboek uitbracht koos ik er voor om meer aandacht te besteden aan glas dan aan aardewerkvondsten. Ik heb daarom zoveel mogelijk vormen getekend en die chronologisch in de tijd afgebeeld. In later verschenen boeken over het Stadskernonderzoek is dat systeem overgenomen en heeft glas meer aandacht gekregen. Ook is het een leidraad geweest voor het boek ‘Glas zonder Glans’ van HAROLD E. HENKES (Rotterdam Papers. 1994) De tientallen verwijzingen naar mijn Z.A.D. doen mij deugd.