Inhoudsopgave


SCHATGRAVER

In archeologische- en politieke kringen is het woord schatgraver synoniem aan een allesvernietigende, rovende, achteroverdrukkende; een alleen aan zichzelf denkend en een niet tot samenwerken in staat zijnd individu. Omdat in pers en roddelcircuit Egbert zijn naam hiermee in verband wordt gebracht lijkt het hem zinvol om wat achtergrondinformatie hierover te verschaffen.

Ten overvloede

Zoals u in verschillende artikelen van het ZAD hebt kunnen lezen waren er allerlei problemen ontstaan binnen de amateurarcheologie. Een groot probleem was namelijk het melden van vondsten en het aantasten van het ego van de R.O.B. correspondent, Ruud van Beek. Regelmatig heeft Egbert, op tijden dat anderen niet aanwezig waren of niet bereikt konden worden (mobieltjes waren er toen nog niet), werkzaamheden uitgevoerd die geen uitstel konden verdragen. Uitvoerders in de bouw of particulieren, hebben liever niet dat archeologen hun bouwactiviteiten ophouden waardoor projecten vertraging oplopen. Daar moest steeds rekening mee gehouden worden en daarom kon er niet altijd direct een melding van een vondst gedaan worden. Dat beroepsarcheologen daar niet altijd gelukkig mee waren kan Egbert best begrijpen. Dat de wet op dat gebied niet sluitend was en omdat de beroeps de uitvoerders er nooit op wezen dat er een geldelijke schadevergoeding geclaimd kon worden, is er steeds onbegrip geweest voor elkaar. De opgravingen die Egbert dan ook gedaan heeft zijn ontstaan uit zijn interesse in de archeologie waardoor hij bouwwerkzaamheden in Zwolle en z’n omgeving in de gaten hield. Dat andere ‘geïnteresseerden’ liever thuis bij de kachel aan de koffie zaten om af te wachten of er eens een melding kwam, moeten zij weten maar zo werkt dat niet. Neem een ander die meer initiatief toont dat dan niet kwalijk!
Na de opgraving bij het ziekenhuis ‘De Weezenlanden’, zijn de contacten tussen Egbert (en de groep) naar de R.O.B. en de A.W.N. toe, verslechterd. Duidelijk was er een tweestrijd tussen groepen ontstaan waar de archeologie niet als winnaar uit de strijd kwam. Meldingen die Egbert deed werden niet meer geaccepteerd en toen werd besloten om de meldingen dan maar via de krant te doen. Misschien dat u als lezer die strijd niet interesseert maar Egbert wil toch proberen u op de hoogte te brengen van enkele zaken die niet altijd even fris waren.

Wanneer en waarom wordt iemand schatgraver genoemd? In het begin van de 80er jaren was er een meegaande jongen, Egbert Dikken geheten. Hij was alert aanwezig bij bijna alle bouwwerkzaamheden die in de Gemeente Zwolle plaatsvonden. Nadat hij opzichters of eigenaren van de grond toestemming had gevraagd om onderzoek te mogen doen, kon hij uren doorbrengen op bouwplaatsen om waarnemingen te doen en als het nodig was gebruikte hij de door hemzelf aangeschafte gereedschappen zoals: pomp, detector, lampen, schoppen etc. om stortkuilen of beerputten leeg te halen. Omdat registratie een belangrijk gegeven is voor onderzoek maakte hij duizenden foto’s en tekende hij de waarnemingen in. Door een aantal personen is daar gretig gebruik van gemaakt voor hun publicaties en later heeft hij die gegevens zelf gebruikt voor artikelen in het Overijssels Recht en Geschiedenis, Zwols Historisch Tijdschrift en in verschillende verenigingsbladen van Maten & Gewichten en De Oude Flesch. Een groot aantal van de 133 bezochte locaties in Zwolle en zijn omgeving heeft hij beschreven in zijn Zwols Archeologisch Dagboek. Ook heeft hij voor verenigingen en een enkele school lezingen over zijn werkzaamheden gehouden om het belang van archeologisch stadskernonderzoek onder de aandacht te brengen.

De mensen van de bouw kenden hem al precies en verleenden, als het mogelijk was, hun medewerking. Als bouwprojecten geen vertraging op wilden lopen werd er een deal gemaakt zodat hij na werktijd in de bouwput mocht zijn om zijn werk af te maken zodat de bouw de volgende dag weer verder kon gaan. Dat het dan ook regelmatig laat werd of in de weekenden gewerkt moest worden werd geaccepteerd. Vondstmateriaal vonden de eigenaren van de grond of bouwmensen niet belangrijk als de werkzaamheden maar door konden gaan. Toch heeft Egbert regelmatig wat aan ze afgestaan om ze te vriend te houden. Een visje of een croquet ging er wel in bij de draglinemachinist en als Egbert vroeg om de bak eens wat dieper in de grond te gooien was dat geen bezwaar. Dat scheelde Egbert vele uren werk.

Om in de binnenstad zijn auto te kunnen parkeren ging Egbert praten met de ambtenaar die over die problematiek ging. In eerste instantie moest er voor een vergunning betaald worden. (Zwolle was toen nog in diverse sectoren verdeeld en het was onmogelijk om steeds weer van vergunning te wisselen als je op 1 dag bouwwerkzaamheden in verschillende sectoren in de gaten hield.
Even summier verwoordt met welke problemen Egbert te maken kreeg i.v.m. het parkeren.) Maar toen dat betalen de spuigaten uitliep kon Egbert de ambtenaar er van overtuigen dat zijn onderzoeken ook voor de gemeenschap belangrijk waren en werd besloten om hem vanaf 1984 gratis een grote parkeervergunning te verstrekken.


Keurig werd door de gemeente, vanaf 1984, het museum op de hoogte gesteld dat ik de vergunning af kon halen. Dit bewijst wel hoe mijn werkzaamheden geaccepteerd werden. Of moet ik stellen ‘gedoogd’ zolang ze nog van Egbert konden profiteren? In ieder geval had Egbert regelingen getroffen die voor die tijd nooit gelukt waren! Misschien dat dat ook iets was dat jaloezie met zich meebracht?

Nu kon hij overal in de binnenstad zijn auto kwijt. Regelmatig was zijn bestelautootje dan ook vol met vele emmers waarvan de smerige inhoud meestal bestond uit scherfmateriaal. Zodoende wist Egbert vele archeologische gegevens en vondsten te redden die anders verloren waren gegaan. De prov. archeoloog vond het geweldig dat zo iemand ZIJN werk deed. Het kwam hem wel goed uit, omdat hij zo meer tijd kon besteden aan de rest van de provincie en aan zijn dissertatie! (Vriendelijke mededeling van Ruud van Beek). Ook zei hij eens tegen Egbert dat als er in de Provincie een assistent benoemd zou worden hij zich geen betere voor kon stellen. Omdat Egbert de vondsten en gegevens vrijwillig afgaf (wist hij toen veel) wilden de archeoloog en de zich zo noemende personen graag met hem samenwerken. Zo konden zij met huichelachtige maniertjes gegevens inpikken voor hun eigen publicaties. (Zelfverheerlijking noem je zoiets.) Dat die baan later nooit aan hem vergeven werd en waarom kunt u uit de teksten zelf wel opmaken. Documentatie daarover en wie daar allemaal mee te maken hadden voert hier te ver om dat uitgebreid te behandelen maar neemt u maar aan dat er genoeg bewijzen zijn om bepaalde personen in de ambtenarij in verlegenheid te brengen.

Protest

Toen Egbert echter besefte dat voorwerpen in het museumdepot verdwenen zonder dat hij ze als vinder terugkreeg of terugzag en dat restaurabel scherfmateriaal wat door hem was afgestaan, door de prov. archeoloog in de vuilniscontainer werd gedeponeerd, tekende hij protest aan en paste vervolgens als vinder de monumentenwet toe. Hij wilde op zijn minst kopieën van de verschenen publicaties en vond ook dat het museum maar moest betalen voor de door hem gevonden voorwerpen. Tenslotte had hij geen uitkering of een baan maar kwamen wel alle onkosten voor zijn rekening, Heeeeel langzaam drong dit door. Er werd na twee jaar één stuk aardewerk teruggegeven wat al met een P.O.M.-nummer was gemerkt! Even een uitleg hierover: in 1982 heeft Egbert de sloop- en bouwwerkzaamheden bij de Ossenmarkt in de gaten gehouden. Uit de ‘dolkput’ kwamen ook een hoeveelheid scherven van 14e eeuws blauwgrijs aardewerk. Daarvan is toen een schaal door hem in elkaar gezet en een vrij groot fragment van een grote pot. Deze voorwerpen en de rest van de scherven waren voor de datering belangrijk en werden ‘vrijwillig’ afgestaan aan het Provinciaal Overijssels Museum. In die ‘dolkput’ vond hij ook vele scherven van het later zo beroemd geworden 14e eeuwse loodglas. Regelmatig is Egbert op de bouw nog wezen kijken hoe de vorderingen waren. Zo heeft hij ook de 16e eeuwse plafondbeschilderingen, van verschillende dieren etc., ontdekt die aangebracht waren in de plafonds van de huizen in de Kamperstraat. Dat heeft hij toen gemeld aan R.v.B.. Samen zijn ze daar nog even naar wezen kijken en R.v.B. adviseerde Egbert toen om daar niet mee te koop te lopen want anders was hij bang dat er teveel publiciteit zou komen!! Laat het maar zo! Omdat Egbert goed contact had met de opzichters van de bouw hoorde hij later dat R.v.B. zelf een melding gedaan had bij de Rijks Monumenten Dienst en dat de dienst toen gekomen is om foto’s te maken!! Egbert mocht niets melden maar R.v.B. doet het zelf wel! This maar hoe belangrijk je gevonden wilt worden. Zou hij als ‘DE ontdekker van’ vermeld zijn?

Omdat Egbert daar natuurlijk pissig om was werd R.v.B. daar op aangesproken. Die was dus poeslief en beloofde foto’s van de objecten voor hem te regelen (die heeft hij nooit gekregen). In 1983 bleek de bouw nog niet klaar te zijn op de plek waar eventuele resten van de ‘Dolkput’ in de ondergrond nog aanwezig konden zijn. Het zou mooi zijn om daar nog eens te gaan graven om te proberen om op die 3 meter diepte de ontbrekende scherven te ontdekken van het blauwgrijze aardewerk en van het glas. In overleg met de bouw werd op de vrijdagmiddag voor de bouwvakvakantie door een dragline een gat gegraven op die plek. Nadat bijna een dikke elektriciteitskabel kapot werd getrokken stopte de machinearbeid. Afspraak werd toen gemaakt dat Egbert in de vakantie daar door kon werken en kreeg opnieuw de sleutel van de schuttingdeur. R.v.B. was daarvan op de hoogte en wenste hem succes. Met zijn vriend Kees is Egbert in de brandende zon een aantal dagen aan het werk geweest om met de schop de diepte te bereiken. We vonden verschillende scherven van het blauwgrijze aardewerk maar niets van het glas. Waarschijnlijk omdat zich het probleem voordeed dat de rest van de put verwijderd was om een fundering te leggen voor de huidige bouw! Pech gehad! De gevonden scherven heeft hij naar R.v.B. gebracht en de afspraak werd gemaakt dat hij deze terug zou krijgen samen met de in 1982 gevonden scherven om te kijken of hij misschien de scherven samen kon brengen. R.v.B. zou dat met de prov. Archeoloog Verlinde overleggen. Nadien er niets meer over vernomen totdat bij een lezing van prof. Renaud, op 22 november 1983 in het P.O.M., Egbert geconfronteerd werd met het volgende: op een tafel stonden 2 grote potten van blauwgrijs aardewerk. De potten bestonden uit de scherven die Egbert in 1982 en 1983 gevonden had. Het grote fragment dat Egbert in 1982 in elkaar gezet had was nu aangevuld met scherven uit 1983. Uit de rest van de scherven was de tweede pot ontstaan. De restauratie was heel slecht gedaan want overal zaten ruimtes tussen de scherven (waarschijnlijk waren die scherven op de randen niet goed schoongemaakt). De persoon, die Egbert niet kende, bleek door R.v.B. aan dit karwei gezet te zijn!!! Je staat op zo’n moment toch verbaast om je gevonden scherven zo te zien zonder dat je er iets van weet maar erger is dat je daar een afspraak over gemaakt hebt die niet nagekomen wordt door R.v.B.. Frappant was: de potten bleken al ingeschreven met een nummer (op bodem en rand) van het POM! Een kaartje lag er in met gegevens die via prov. Archeoloog Verlinden aangeleverd waren! Egbert werd boos en vroeg wat dat te betekenen had. Hij claimde meteen een van de potten (per slot had hij in 1983 nog dagen in de hitte die scherven opgegraven). Van Beek antwoordde: ‘je moet niet het onderste uit de kan willen’! Egbert heeft om foto’s en tekeningen van de potten gevraagd. Vele malen opnieuw daarom gevraagd maar nooit gekregen. Brieven zijn er toen geschreven. Dat ze zich toch niet op hun gemak voelden bij deze kwestie bleek toen op 30 juli 1985 (1½ jaar dus na de tijd!!!) Egbert, in het bijzijn van R.O.B. correspondent Gert Oostingh, een pot werd overhandigd door Ad Verlinde. Egbert heeft de scherven later weer los kunnen halen en de pot is door hem opnieuw gerestaureerd. Deze wat uitgebreide uitleg om u te laten weten hoe er met Egbert werd omgegaan. Omdat Egbert zich niet laat manipuleren heeft hij die pot in zijn bezit gekregen maar vrienden maak je er niet mee! Dit is maar een enkel voorbeeld. De rest bewaart hij voor het geval dat mensen problemen gaan maken om zijn teksten. We gaan weer verder.

Ook liet het museum A.W.N.-coördinator R.v.B., bij Egbert thuis, vondsten uitzoeken die waren gedaan op de Ossenmarkt. Ook R.v.B. en de secr. van de A.W.N.-afdeling deelden in de vondsten mee! Toen de voorwerpen door R.v.B. waren meegenomen duurde het ‘slechts’ 1 jaar voordat Egbert zijn vriendenprijsje door het museum kreeg uitbetaald. In diezelfde tijd was er een TV-uitzending over archeologie waarin ondermeer werd gepronkt met een nierdolk. Toestemming om de dolk, die nog geen eigendom was van het museum, daarvoor te gebruiken was niet gevraagd. Ook had men Egbert niet verteld dat de TV-uitzending zou plaatsvinden. De reden zal wel geweest zijn dat de figuur R.v.B. die in het forum zat, zijn status als stadsarcheoloog (zo noemt hij zich) moest ophouden. Als Egbert wel zou zijn uitgenodigd en in de studio had rondgelopen was de kans natuurlijk levensgroot aanwezig dat door gesprekken uit zou komen dat NIET R.v.B. maar Egbert vanaf 1982 de vondsten in de Gemeente Zwolle deed! Tijdens die uitzending was ook de vriend van R.v.B. aanwezig dhr. Van Es, directeur van de R.O.B.!

Ook kwam er toen een tentoonstelling over het kasteel ‘De Voorst’. Bij de opgraving daarvan hadden niet alleen Egbert, maar ook enkele andere amateurs de R.O.B. vele weken in de februari-maart kou geassisteerd. Het boekje dat bij die tentoonstelling verscheen en was beloofd (plus andere dingen) moest zelf! worden betaald. Helemaal grof werd het toen tijdens de tentoonstelling bleek dat Egbert ook nog een kaartje moest kopen om de, onder andere door hem gevonden en voor de tentoonstelling afgestane, voorwerpen te mogen aanschouwen.

De 32 cm hoge (voorraad)pot met daarin het registratienummer van het P.O.M. dat door prov. Archeoloog Verlinde er in was gezet. Waarschijnlijk heeft R.v.B. Verlinde nooit verteld over de afspraak die hij met Egbert gemaakt had en nooit verteld dat de scherven eigendom van Egbert waren en niet van het museum.

Het officiële R.O.B. kaartje van inschrijving en het registratienummer in de pot.

Schatgraver c.q. oplichter

Tot zover enkele voorvallen die aangeven hoe er onder andere met Egbert werd omgegaan. Het woord schatgraver werd nog niet gebruikt. Dat veranderde snel toen in plaats van meegaand te blijven er van Egbert zijn kant protest kwam. Plotseling werd Egbert voor rotte vis uitgemaakt en werd hij als lastig betiteld. Over rechten was nooit gesproken, wel probeerde men plichten te introduceren. Nu was Egbert plotseling verantwoording schuldig als A.W.N.-lid, waarom is hem nu nog niet duidelijk! In een gesprek met V.T. van Vilsteren, toen voorzitter van de afd. A.W.N., op 18-12-84 bij Egbert thuis, vond deze dat vele klachten van hem gegrond waren. Omdat hij een baan zou krijgen als archeoloog bij het Asser museum, wilde Van Vilsteren geen trammelant met R.v.B.. (V. B. stond namelijk op goede voet met de directeur van de R.O.B. dhr. Van Es) Hij zei nog wel dat ik geduld moest hebben, R.v.B. had toch niet het eeuwige leven!!!
De situatie werd er niet beter op. Vele wrijvingen ontstonden, briefwisselingen werden dikke dossiers bij Egbert. Strafbare feiten begaan door A.W.N.-coördinator R.v.B. worden nu nog met de mantel der liefde bedekt door Justitie en hoge ambtenaren. Brieven met allerlei insinuaties en onterechte beschuldigingen kreeg Egbert onder ogen van prov. archeoloog A.D. Verlinde en de latere A.W.N.-afdelingssecretaris Frits Zeiler. Deze brieven heeft Egbert gedeponeerd bij de Officier van Justitie.
Gelukkig werd een royementsaanvraag om Egbert uit de A.W.N. te verbannen, ingediend en gesteund door voornoemde personen, door het hoofdbestuur afgewezen.
Een gedeelte uit de brief van 29-1-1987 die Egbert werd toegezonden nadat een ingestelde commissie zijn bevindingen aan het hoofdbestuur had gerapporteerd: ‘De commissie heeft in de afgelopen periode kennisgenomen van een uitvoerige correspondentie en geconstateerd dat er reeds lange tijd sprake is van controversen, culminerend in steeds grotere conflicten. De commissie vraagt zich af of de schuld hiervan als enige danwel grotendeels aan de heer Dikken toevalt, en heeft hiervan in ieder geval tot nu toe GEEN bewijzen gevonden. Het hoofdbestuur heeft dan ook geen reden de heer E.J. Dikken te royeren als lid van de A.W.N.’.
Om in de toekomst problemen met A.W.N.-leden te voorkomen werd door het hoofdbestuur aan het afdelingsbestuur geadviseerd richtlijnen m.b.t. opgravingen op te stellen. (Dus hieruit blijkt duidelijk, net als in de statuten, dat binnen de A.W.N. hiervoor niets was (is) geregeld. Dat was het eerste en tevens het laatste positieve wat het hoofdbestuur voor Egbert heeft mogen doen.
Vreemd is dat het hoofdbestuur geen stappen heeft durven ondernemen tegen de personen die de valse beschuldigingen hadden ingediend. Ook R.v.B., die volgens hen een dubieuze rol speelde, werd met rust gelaten.
Egbert schreef nog vele brieven naar R.O.B., A.W.N., B&W, politieke partijen om de werkelijke gang van zaken rond het stadsonderzoek uit te leggen. Alleen de P.S.P.. nam enkele keren de moeite om te reageren. De rest, dus ook een burgemeester en wethouders die steeds persoonlijk bericht hadden ontvangen, namen niet de moeite om een onderzoek in te stellen. Wel reageerden ze door een Drs. stadsarcheoloog aan te stellen, want dan zou de problematiek wel opgelost worden. Wat lekker naïef hè! Egbert had daarvoor al aangeboden om voor een fractie van het bedrag dat een ‘professionele’ kost, onderzoek te blijven doen in de gemeente Zwolle. Dat B&W en gemeenteraad kennis, privatisering en dus kostenbesparing niet belangrijk vinden is later gebleken. De aangestelde archeoloog werd in januari 1987 nog wel door de burgemeester verzocht om met Egbert te gaan praten. (Informatie Hr. Bos van bestuurszaken - Openbare Werken en ook vertelde dat de toenmalige burgemeester Loopstra aan G Oostingh.) Dit gesprek heeft echter nooit plaats gevonden! Later vertelde Paul Rademaker Egbert dat stadsarcheoloog Clevis bij hem huilend aan tafel had gezeten en hem bekende dat hij met handen en voeten gebonden was aan wat het R.O.B. hem voorgeschreven had!!!!

Terwijl de stadsarcheoloog zijn prioriteiten stelde en de vele skeletten in de Broerenkerk als een kermisattractie naar buiten bracht, bleef Egbert locaties bezoeken die wel werden bedreigd! Toen de belangrijke vondsten die daar werden gedaan bekend werden via de plaatselijke pers riepen de ‘beroeps’ en aanhang ach en wee! en toverden het woord schatgraver weer tevoorschijn.

In een brief aan Verlinde, 30 maart 1987, waarvan een afschrift is verzonden aan de dir. R.O.B. dhr. Van Es, zijn vele zaken behandeld en uitgelegd betreffende Egbert. Ook het probleem van meldingen. Egbert stelde toen dat vanaf dat moment zijn meldingen via de plaatselijke krant zouden gaan. Op de brief werd nooit gereageerd. Ook heeft hij de R.O.B.-correspondent dhr. G. Oostingh meestal op de hoogte gebracht van de interessantste vondsten en waar hij werkzaam was. Wat dit alles met oplichting te maken heeft is hem niet duidelijk. Wel weet Egbert dat bewijzen van gedane vondsten in zijn bezit zijn. Ook opzichters en andere personen die tijdens de waarnemingen aanwezig waren kunnen deze vondsten bevestigen.
Hopelijk begrijpt de lezer zo langzamerhand dat op het moment dat scheldpartijen en beschuldigingen tegen Egbert worden geuit, dit afleidingsmanoeuvres zijn om eigen missers van de ‘archeologen’, te camoufleren. Bewijzen namelijk voor deze beschuldigingen zijn door de heren met hun kwetsende monden nog nooit aangedragen. Deze beschuldigingen gebeuren nog steeds (ongestraft). Dit is in het kort belicht van wat er in vele jaren gebeurde met de, eerst meegaande jongen die gebruikt werd, totdat hij daartegen protesteerde.

Elkaar beschermen

Egbert verbaasde zich er lange tijd over dat zelfs een burgemeester en zijn knechten aan deze vreemde spelletjes meededen, maar hoe langer het duurde hoe beter hij het begreep. Personen die hun positie te danken hebben aan handjeklap passen wel op om prestiges af te gaan breken want morgen zijn zij misschien aan de beurt. Dus moet ook voor eigen bescherming, de kring gesloten blijven.
Als besluit wil Egbert duidelijk stellen, heel duidelijk, dat ook hij geen monnik is, maar zoveel onrechtvaardigheid mag niet onvermeld blijven. In dit boek wordt soms heel summier iets aangegeven op dat vlak. Het is onmogelijk om de vele voorvallen uitgebreid te behandelen. Daarom zijn voor een ieder die daar interesse voor heeft, de dossiers bij Egbert thuis in te zien. De spreuk ‘Hoort en Wederhoort’ die in onze oude Schepenzaal is te lezen, hangt er niet voor niets.