Inhoudsopgave

WINDESHEIM - februari 1987

Al vele jaren bestaan er in ons land verhalen over onderaardse gangen. Zo ook in Windesheim. In de Overijsselse Almanak van 1849 blz. 140-141 vinden we o.a.: ‘Hetwelk in 1400 door den Prior Jan Vos van Heusden met een stevige hoogen muur was voorzien, versterkt, daardoor den IJsselstroom te belemmeren’. Onderaan blz. 141 staat de voetnoot: ‘Zou van deze tijd de onderaardse gemetselde gang zijn, die, naar berigten van ooggetuigen, van het weiland voor het tegenwoordige kerkhof, onder het gebouw der pastorie van Windesheim heen, naar den IJssel loopt?’. (Opm 2010: in Windesheim is er maar één kerkhof. Zou de schrijver een ouder kerkhof bedoeld hebben omdat hij over ‘het tegenwoordige kerkhof’ heeft? Waar zou dan dat oudere kerkhof gelegen moeten hebben? Zie onder ‘Publicaties’ Klooster Windesheim deel 2.) Ook de historicus J. Geesink heeft enige malen over de gang geschreven o.a. in de Zwolse Courant van sept. 1940. Hierin schrijft hij: ‘dat tijdens de zoektocht naar de oude gebouwen van het klooster Windesheim was gebleken dat de oude gang nu als beerkanaal werd gebruikt’.
In 1986 werden pogingen ondernomen om het Windesheimer klooster te lokaliseren. In januari moesten de eerste werkzaamheden worden uitgesteld omdat er protest aangetekend was bij de prov. archeoloog. O.a. ik stelde: ‘waarom mag R.v.B. (toen 71 jaar oud), die totaal onervaren is betreffende kloosteropgravingen, een niet bedreigde archeologische locatie verstoren?’. Verlinde zal zich het protest aangetrokken hebben want als excuus voor de uitstelling werd aangevoerd dat het R.O.B. geen mensen voor het vereiste toezicht beschikbaar had. Toch werd half oktober samen met A. Buisman (technisch medewerker R.O.B.) besloten om even het kloostermuurwerk op te graven! Omdat per 1 januari 1987 in Zwolle er een stadsarcheoloog zou worden aangesteld komt het gehaast erg vreemd over. Waarschijnlijk heeft men R.v.B. de opgraving toegeschoven om voor de laatste keer te kunnen ‘schitteren’? Blijkbaar werkt het zo als je maar genoeg vriendjes hebt!

De gang

Het resultaat van de opgraving naar resten van het oude klooster was nihil, de kosten groot. Tijdens dit onderzoek sprak dhr. Bredewold, wonende aan de Pastorieweg, R.v.B. aan. Bredewold vertelde dat ± 15 jaar geleden zijn kinderen bij het graven in de schuur/kelder een gang hadden ontdekt en dat zij er vele meters in waren gekropen. Voor de veiligheid had hij toen de boel afgedekt met hout en zand. R.v.B. haalde minachtend de schouders op en lachend vertelde hij er geen interesse in te hebben. Ook werd tijdens een interview voor Radio Oost de door Bredewold genoemde gang door R.v.B. met ‘nonsens’ afgedaan. Omdat Bredewold niet als fantast wilde worden aangezien werd, nadat dus de officiële opgraving afgesloten was, via zijn zoon Joop contact met mij gezocht. Er werd gevraagd of ik een onderzoek in wilde stellen. Op 12 februari 1987 ben ik samen met Jan en Henri v Dijk, die mij regelmatig hielpen tijdens opgravingen, naar Windesheim gegaan en heb de situatie in de schuur en kelder bekeken. Nadat we de plek vrij gemaakt hadden van alle rommel, die Bredewold er opgezet had en al die jaren niet verplaatst was, gingen wij aan het graven. Na enkele uren zweten werd het vermolmde hout gevonden en kwam de ‘ingang’ in zicht. Het hout had een kleine ingang bedekt en het verhaal van Bredewold bleek dus te kloppen. Deze ingang was ontstaan doordat uit een gewelf enkele stenen waren verdwenen (verzakt). Onder de ingang kon een gang worden waargenomen. Er werd toen contact opgenomen met Herman Kamphuis om verdere gegevens te verkrijgen over de steenformaten. Hij kwam kijken samen met z’n zoon Berend Jan en had het boek ‘Ontwikkeling van het stadswoonhuis te Zwolle’, afstudeerproject van D.J. de Vries uit 1979, bij zich. Drs. ing. Dirk de Vries is nu (1989) hoofd onderafdeling bouwhistorisch onderzoek Rijksdienst voor de Monumentenzorg Zeist. In dat boek vonden wij zeer veel Informatie over steenformaten en keldergewelven, gevonden en beschreven door de toenmalige voornoemde student. Met die gegevens werd vastgesteld dat de gevonden gang best eens tot het kloostergebeuren behoord kon hebben. Ook de naast de gang gelegen kelder werd nog onderzocht. Deze kelder, die 17 jaar niet was betreden en waar verschillende vleermuizen aan het plafond hingen, moest volgens ons ook tot het kloostercomplex behoord hebben.
De volgende dag waarschuwde de Fam. Bredewold een journalist van de Zwolse Courant om het gelijk te komen aanschouwen. Zodoende werd een artikel met mooie foto’s gemaakt over de bewuste gang. Het krantennieuws sloeg in als een BOM.


Druk bezig om het zand dat bovenop het hout was gestort en door ons was verwijderd een beetje te verplaatsen zodat er geen kans zou bestaan dat de boel in zou storten. V.l.n.r. Jan v. Dijk, Berend Jan Kamphuis, beneden in beeld en staande op het gewelf; Egbert Dikken en rechts Henri v. Dijk.
Foto gemaakt door Herman Kamphuis.



Onderin de put is nog de rug te zien van fotograaf Frans Paalman. Hij kon zijn camera net aan door de blootgelegde ingang krijgen om de foto te maken die de volgende dag in de Zwolse Courant stond.


Na het maken van de foto, heeft Frans Paalman diezelfde avond nog contact gehad met R.v.B. en hem toen gezegd wat wij gevonden hadden. Deze werd razend volgens Paalman. R.v.B. heeft toen verschillende mensen benaderd om ons in een kwaad daglicht te plaatsen. Het lukte hem zelfs om de journalist, die het artikel nog aan het schrijven was, te beïnvloeden en hem de teksten aan te laten passen. Commentaren werden meteen bij het artikel geplaatst zonder dat er verder onderzoek door de betreffende criticasters werd gedaan. Na het verschijnen van het krantenartikel zijn er vervelende dingen gebeurd die niet ten goede zijn gekomen van het onderzoek: ‘Waar het Klooster Windesheim gelegen zou hebben’.
Reacties kwamen o.a. van de stadsarcheoloog Clevis en van R.v.B.. In de vele krantenartikelen die in de daarop volgende week toen verschenen, probeerden zij met allerlei uitspraken hun eigen onkunde in deze zaak te verdoezelen. Een veel gehoorde kreet was: ‘het klooster zou tot de laatste steen zijn gesloopt’. Ook onze mening, dat gang en kelder tot het kloostercomplex behoord zouden hebben, werd naar het rijk der fabelen verwezen! Dat R.v.B. zich zelfs liet verleiden tot uitspraken als ‘klootzakken’ en ‘werk van een stelletje boeven’ is tekenend voor zijn machteloosheid. (Al vaker zijn door hem dit soort ordinaire uitspraken gedaan op momenten dat hij bemerkte dat hij in gebreke was gebleven.)
Door beide heren is niet eenmaal gekeken in de door ons gevonden kelder of gang. Afgaande op een rapportje van Dirk de Vries stelden zij: ‘Gooi maar dicht, het kan niets wezen’ (informatie Bredewold). Nu, ongeveer twee jaar later blijken de door ons gevonden gang en kelder, met de door ons gestelde conclusie ‘dat deze tot het kloostercomplex behoord hebben’, volledig geaccepteerd! Dit kan worden afgeleid uit het door Clevis en R.v.B. geschreven artikel in het boek ‘Windesheim, studies over een Sallands dorp’. Hierin vermelden zij duidelijk dat gang en kelder uit de kloostertijd stammen en dat de ‘water’gang met de infirmerie verbonden kan zijn geweest. Echter de wijze waarop de gang in het artikel wordt beschreven tekent de mentaliteit van beide auteurs. Onder het kopje ‘De opgraving’ suggereren zij (wie weet zich later de ware toedracht nog te herinneren?) dat de gang, door en tijdens hun opgraving gevonden zou zijn!!!
Ook worden in het boek en tijdens de tentoonstelling in de Broerenkerk, juli 1988, andere gegevens, door ons aangedragen, gretig gebruikt. Als de Zwolse Courant deze onthullingen net zo sensationeel zou durven brengen als zij toentertijd met de scheldpartijen en leugens (door de tegenpartij geuit) deed, zou onze naam gerehabiliteerd worden en kan het grote publiek eindelijk de waarheid vernemen. Dat de krant zich niet wilde branden aan deze kwestie bleek uit het volgende: wij hoorden dat burgemeester Loopstra de directeur van de Zwolse Courant had benaderd met het verzoek om geen artikelen meer over de gevonden gang te plaatsen. Hoezo, vriendjes blijven van elkaar.

Extra vondstgegevens

De bovenkant van de gang lag 2.88 m beneden het maaiveld. De totaal onderzochte lengte is ± 12 meter, waarbij na 6.5 m een knik van ± 10° duidelijk waarneembaar was. De binnenzijde was niet bepleisterd en de voegen waren duidelijk weggesleten. (De Vries, die de gang niet eens gezien had, beweerde in de krant dat de gang bepleisterd was. Op de foto is duidelijk waar te nemen dat er GEEN bepleistering aanwezig was. In een telefoongesprek, dat ik opgenomen heb, heeft Dirk de Vries met Gert Oostingh gesproken. (Gert is R.O.B. correspondent. Gert heeft met De Vries menig pand in Zwolle bezocht om onderzoek te doen naar de oudheid van die panden en de gegevens heeft De Vries in zijn proefschrift verwerkt. Zo kenden zij elkaar al vele jaren.) Dirk gaf toen aan dat hij op verzoek van R.v.B. zijn reactie had moeten geven!!!) Het is dat we al wat gewend waren want anders zou je het niet geloven!

Clevis en R.v.B. hebben Bredewold bezocht maar niet in de schuur naar de gang gekeken. Zij gaven alleen aan dat Bredewold het gat weer dicht kon gooien want het was toch niks. Waarschijnlijk wilden zij de indruk wekken dat het zogenaamd niets was om zodoende het bewijs buiten beeld te brengen. Door het gewoon te negeren hoefden ze er verder ook niets mee. Nadat dus niemand interesse in de gang had heb ik samen met Joop Bredewold de ingang groter gemaakt om er in te kunnen afdalen om het aanwezige afvalmateriaal te verzamelen.

Ook de bodem bestond uit een baksteen laag. Steenformaten in de kelder zijn: 27 x 9.5 x 5 cm en 22.5 x 10.5 x 4.5 à 5cm en van de watergang: 25 x 12 x 5 à 5.5 cm. Op plattegronden van kloosters uit Engeland, Frankrijk, Duitsland en Denemarken is te zien dat daar met watergangen is gewerkt. Dus wat er in Windesheim was gevonden bleek voor kloosters niet zo vreemd. Onze datering van de gevonden steenformaten stuitte vooral in het begin bij Dirk de Vries op weerstand. Blijkbaar is hij ook tot inkeer gekomen want o.a. op blz. 135 van het Windesheimer boek schrijft hij: ‘dat het formaat 23-24 x 12 x 5 cm eigentijdse stenen zijn. De datering: vanaf 1465’. In veel publicaties, die over bouw- en stadskernonderzoeken gaan, is te lezen dat de voormelde steenformaten (zelfs kleinere) in de 14e-16e eeuw voorkomen. Ook zullen de ‘kenners’ er rekening mee moeten houden, zoals in oude kronieken te lezen is, dat kloosters veel bouwmaterialen geschonken kregen, maar deze ook zelf weer wegschonken! Tevens werden voorraden vele tientallen jaren bewaard voor ze gebruikt werden. Over hergebruik schrijven we dan maar niet. Dit betekent dat allerlei steenformaten gebruikt kunnen zijn voor het bouwen van kloosters en kerkgebouwen. In Zwolle kwamen verschillende formaten van stenen voor want in het 2e Stadsboek op blz. 37 is te lezen over ‘Grotes steen, Middel steen en Cleanssteen’. Dit zijn gegevens van rond 1425. Vult u zelf de formaten, die hierboven vermeld zijn, maar in. Ook is in de historische bronnen te lezen dat men naar Deventer gaat om kleine en grote stenen te kopen voor de bouw van de Kamperpoort in Zwolle. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Zie punt 2 op de tekening: Clevis “deed moeite” om de gang buiten de schuur op te graven. Dit werd gezien door Paul Rademaker van de Werkgroep Windesheim. Deze attendeerde Clevis er nog op dat hij dieper moest graven om de gang te kunnen ontdekken. Clevis trok zich daar niets van aan en liet later triomfantelijk in de courant schrijven dat hij het bewijs geleverd had dat er geen watergang aanwezig was! Zoiets komt dan bij ons vreemd over. Op de plaats waar Clevis gegraven had stond vroeger een schuur die afgebroken is en waardoor de gang misschien verdwenen kon zijn. Waar hij ook geen rekening mee gehouden heeft is dat hij op een diepte van 1.75 m heeft gegraven terwijl de gang, zoals vermeld in het krantenartikel door ons, op bijna 3 meter beneden het M.V. lag! Bewust of onbewust maar het blijft manipulatie van feiten!

Bedankt

Al met al is de vondst van de gang van Windesheim niet ongemerkt gebleven. Veel positieve reacties kwamen bij mij binnen. Ook werden schetsjes en kopieën van publicaties door, voor mij wildvreemde mensen in de brievenbus gedeponeerd. Ik heb uit al deze reacties kunnen afleiden dat meerdere personen zich ergeren aan de wijze waarop de archeologie door verschillende instanties ‘bedreven’ wordt. Voor deze fijne reacties wil ik de mensen nog hartelijk danken. Hierdoor gesterkt besloot ik samen met Herman Kamphuis nog wat onderzoek te doen betreffende een eventuele locatie van het Klooster Windesheim. Hierna vindt u meer informatie die een ieder voor zich maar moet beoordelen.

Toelichting bij de tekening die de plek weergeeft waarvan de oude veldnaam luidt ‘Het Klooster’

De tekening is overgenomen van een kadasterkaart uit 1832. De in deze tijd nog bestaande kelders en het waterkanaal hebben wij er in opgenomen en verder wat herkenningspunten, zoals het schuurtje opzij van de pastorie, de huidige kerkhoflijn, een verdwenen schuur ongeveer grenzend aan de huidige van de fam. Bredewold en een gazongrens. Opvallend zijn een aantal evenwijdige perceelgrenzen al of niet gestippeld en ten dele ontbrekend.
Kijken we naar de hoogtelijnen dan zien we dat de omgeving van de pastorie op het hoogste punt van de zandkop ligt die Windesheim rijk is. De schuur zuidelijk van de Fam. Bredewold ligt letterlijk een trapje lager. Ook de losstaande schuur, waarin de kelder werd gevonden, ligt een niveau lager en voor zijn ligging kan men van de natuurlijke gesteldheid gebruik gemaakt hebben zonder aan een vroegere of oudere bouwfase te denken. Volgens een mondelinge mededeling van ir. H.R. Steenbergen hadden kerk en koor verschillende niveaus. Wij moeten er daarom terdege rekening mee houden dat andere gebouwen, die bij het klooster behoorden, van niveau kunnen verschillen. Dat men bij het bouwen van de kerk niet een zuivere oost- westlijn aangehouden heeft zal oorzaak vinden in de beschikbare gronden en het smalle langwerpige karakter van de hoge gronden van Windesheim en het water dat ten tijde van het klooster er langs heen stroomde. Ook een mogelijk voor de niet zuivere oost-westlijn kan zijn dat toen het klooster gebouwd werd er gebruik gemaakt is van het magnetische noorden (zie ook plattegrond van Zwolle).

Wat verder opvalt in de tekening zijn de perceellijnen bij A en B, waar men vierkanten in kan zien. Deze vormen werden bij kloostergebouwen veel toegepast (denk aan een claustrum). Met A is de huidige pastorie aangegeven (vroeger een hof?). Deze wordt omgeven door een perceel, waarvan twee vleugels ongeveer 4.8 m zijn en waaronder een deel kelders liggen. In het wat grotere vierkant (B) ligt westelijk een perceel waarvan één zijde haast overeenkomt met de westelijke vleugel zoals die door H.R. Steenbergen getekend is in zijn reconstructie en gepubliceerd in het boek ‘Windesheim, een studie van een Sallands dorp’. Hier en daar zijn de vierkanten afgehoekt zodat men er met wat fantasie een hoefijzervorm in kan zien (Acquoy. blz. 77.) Op blz. 77 en 78 geeft Acquoy een beschrijving hoe het klooster er heeft uitgezien. De diverse elementen die hij opnoemt zouden in het grote en kleine vierkant geplaatst kunnen worden, zoals de warmkamer en de goed verwulfde kelder.

De watergang

Bijna onafscheidelijk zijn de watergangen die we in kloosters aantreffen: zo ook hier een watergang die in het kleine vierkant uitkomt (lavatorium?). In de losstaande schuur zit een merkwaardig raampje wat uitgehakt is als een schietgat. Men zou kunnen denken aan de bezetting in 1527 door Karel van Gelre, die het klooster versterkte om Zwolle van de zuidzijde af te sluiten. In de aangebouwde schuur van de Fam. Bredewold zou men een bouwmanshuis kunnen zien. Direct daaraan ligt het bakhuis. Het heeft getraliede vensters en zandstenen goten. Merkwaardig is dat het nog nooit is onderzocht! Ook het gebouwtje achter de keuken, waar dhr. Bredewold zijn hond heeft ondergebracht, blijkt nooit te zijn onderzocht. In dit bijgebouw zit achter de trap een door deurtjes aan het oog onttrokken oude kloosterdoorgang. Hier is duidelijk het niveauverschil te zien. Tevens is er in diezelfde ruimte een afgescheiden slaapruimte, voor een knecht, die opgemetseld is met een groot steenformaat. De fundering achter de huidige schouw van de Fam. Bredewold is trapsgewijs gelegd met een groot steenformaat en zeer ondiep gefundeerd.

Over de ligging van de kerk schrijft Acquoy, dat deze gescheiden ligt van het klooster door een open ruimte met vruchtbomen beplant en omgeven door een trans. De locatie moet dan waarschijnlijk gezocht worden op het kerkhof en omgeving. In de uiterste noordwestelijke hoek van het kerkhof wordt veel puin gevonden (mondelinge mededeling dhr. W.A. Vlaanderen). De begraafplaats is tamelijk vol en de graven liggen tot op 2.2 m diepte zodat hier waarschijnlijk geen archeologische vondsten meer te vinden zijn. Door een profiel aan de rand te maken zouden eventuele resten waarschijnlijk nog wel te vinden zijn. Opvallend is een gat (hoogte 1.4m +N.A.P.) aan de voet van de dierenweide. Het omringende terrein ligt 60-80 cm hoger.


Dierenweide
Hier werden funderingen en grafzerken in de grond gevonden.

Acquoy, schrijft over een toren aan de westelijke kant (blz.77). Het is mogelijk dat door verwijdering van de torenfundatie dit gat ontstaan is. Misschien zat er aan die zijde een zijingang naar het klooster. Acquoy wijst verder op een stenen muur waar het water langs vloeide en waar zich washokken en latrines bevonden.

De IJssel

Sonderingen van de huidige nieuwbouw tonen een flinke waterloop aan (zie begin van dit artikel. Overijsselse Almanak 1845; ‘naar den IJssel loopt ca. 1400’). En dat men last van het water had vertelt ons het jaar 1487, toen het lJsselwater zo hoog was, dat een overleden frater uit Zwolle niet naar Windesheim overgebracht kon worden om daar begraven te worden (Acquoy. II, blz. 373). De paalgaten die door Clevis en R.v.B. in 1988 gevonden werden aan de Bergweg, westelijk van de begraafplaats, kunnen restanten zijn van een dijkwering, maar ook van een brugdeel waarop een latrine gebouwd was (zie ook de tekst hierboven van Acquoy).

Conclusie

Volgens de gegevens die overeenkomen met nog bestaande gebouwen en perceelgrenzen zal een gedeelte van het klooster op de door ons aangegeven bewoningsplek gelokaliseerd kunnen worden. Over de plaats waar de allereerste fase van 1387 gelegen zal hebben zal de discussie nog voortduren. Wij menen dat door overstromingen, die al tijdens de stichting van het klooster in 1387 plaatsvonden, een 1e fase weggespoeld kan zijn. Deze fase kan gelegen hebben richting Bergweg-nieuwbouw. Misschien was de Bergweg wel de toegang tot het klooster? In de geschiedenis van het klooster, die door Busch is opgetekend, kunnen enkele hiaten zitten. Busch, die intrad in 1417, heeft met tussenpozen slechts 16 jaar doorgebracht in het klooster Windesheim. Busch trad pas in toen er al drie verbouwingen waren geweest. Bij de verbouwing in 1435 was hij een drietal jaren in Windesheim. De kroniek moet pas geschreven zijn rond 1459. Ook prof. A.G. Weiler heeft op blz. 26 van het ‘Windesheim’ boek zijn bedenkingen over de verhalen die Busch schrijft. Ook is het mogelijk, dat i.v.m. de grote bedrijvigheid van het kloostergebeuren en het steeds stijgende water, er rond 1460-1470 een nieuw claustrum werd gebouwd In het zuiden. Op deze manier kunnen er twee complexen zijn ontstaan.
Opvallend is wel dat er in het zuiden rond een paar boerderijen vreemde perceellijnen liggen. Alleen een beter grondonderzoek zal over dit alles uitsluitsel kunnen geven. Bij het onderzoek dat nu heeft plaats gevonden heeft R.v.B. niet gelet op signalen vanuit de bevolking. Anders had hij kunnen horen dat bij de aanleg van een riool in de dierenweide (1980) funderingen en grafzerken te voorschijn kwamen. De vondst van fragmenten van grafzerken op die plaats is belangrijk omdat Acquoy in deel 1 blz, 77 noot 4 een aantal locaties geeft waar begraven werd en wel in het claustrum, de kerk en westelijk van de kerk. Elders op de zandrug van Windesheim werden geen grafzerkfragmenten gevonden. Omdat men dacht even het klooster op te graven, is de 15.000 gulden kostende opgraving een fiasco geworden.

Nawoord

Vanaf het eerste moment, 15-2-1987, is er contact geweest met één van de leden van de werkgroep Windesheim. Steeds werden over en weer gegevens uitgewisseld. Omdat wij een andere visie hadden over de kloosterlocatie, werd besloten om met de gehele werkgroep van gedachten te wisselen. Men was zeer geïnteresseerd. Tijdens deze bijeenkomst (okt. ‘88) werden kopieën van dit artikel (concept) en van het ‘waren’-onderzoek (zie volgend artikel) door ons afgegeven. Groot was de verbazing over de tekening die de boerderij met de veldnaam ‘Het Klooster’ en omgeving weergeeft. Interpretatie van de historische bronnen was een discussiepunt. Jammer was, dat de door dr. R.Th.M. van Dijk vertaalde Chronicon Windeshemense van Joannes Busch eerste redactie en uitgegeven door V. Becker, ONS niet werd aangeboden. Of in deze kroniek locatiegegevens staan werd niet verteld. Wel bleek dat de door de werkgroep gebruikte lengtematen, voor de kloostertekening, enige vraagtekens opwierpen. Het onbekend zijn van hun met de in die tijd verschillende andere lengtematen is hier debet aan. Omdat er weinig tijd voor bespreking was zou nieuw contact volgen. Geruime tijd werd niets vernomen. Toen door ons later contact werd gezocht, omdat we niets hoorden, bleek dat ons verschil in historisch opzicht omtrent de locatie van het klooster en de emotionele reactie! verdere samenwerking blokkeerden. Contact wilde men wel behouden! Waaruit dat dan wel moet bestaan is een vraagteken. Het schijnt dat de lJsselacademie, die het Windesheimer boek had uitgegeven, de werkgroep onder druk had gezet. Angst voor een intrekking van subsidie? Van onze zijde zouden problemen te verwachten zijn.

Welke?

Als men daarmee de krantenartikelen bedoeld is de sensatie die ze veroorzaakten niet aan onze uitspraken te danken, maar aan die van R.v.B.. De watergang die drie meter diep lag is opengelegd door mij met mijn vrienden omdat niemand anders de moeite wilde nemen die enorme hoeveelheid grond te verzetten. Clevis en Van Beek kregen daarna de gelegenheid die gang te onderzoeken maar ook dat is niet gebeurd. Toen hebben wij de verdere gegevens vastgelegd. De dierenweide zou ook onderzocht moeten worden maar dan zal er met de schop gewerkt moeten worden en niet met een dragline en kennelijk is daar, behalve onze groep, niemand voor te vinden. Misschien is de IJsselakademie bang dat het uitgegeven boek Windesheim, studie van een Sallands dorp niet serieus genomen wordt als blijkt dat er de nodige fouten in staan. Ook de vele tegenstrijdigheden die in het boek voorkomen vormen geen reclame voor de IJsselacademie. Tegenstrijdigheden, die notabene in het Zwols Historisch Tijdschrift uitgevochten worden. Dat met deze opvatting van de academie een echt onderzoek niet gebaat is, is wel duidelijk. Het gezegde 'in de doofpot stoppen' gaat ook hier weer eens op.

Met dank aan Herman Kamphuis voor zijn inbreng.

Ik besluit met een afbeelding van de kerk in Windesheim. Deze afbeelding hebben Herman Kamphuis en ik als begin gebruikt in de 2e publicatie over Windesheim waar wij uit de doeken doen waar het klooster gelegen heeft en waar nog overblijfselen te zien zijn. Windesheim 2 is straks te vinden onder ‘PUBLICATIES’.