Voormetrieke inhoudsmaten


Voormetrieke inhoudsmaten | Gemeten en vergeleken (vervolg)


Over de wijze van justeren of overmaat van voormetrieke maten is weinig bekend

Tieleman schrijft in “M&W”, p. 1187: “Tegen de overslag van de wand, onder de brug, werd in de meeste gevallen een houten blok aangebracht, met het doel om de maat zijn juiste inhoud te geven”. Bij het nameten van houten maten moet dus rekening worden gehouden met een mogelijk voorheen aanwezig blok. Amsterdam heeft in 1808 zijn schepel opnieuw vastgesteld. Het is onbekend of Meppel dat ook heeft gedaan. Eén ding staat wel vast: de Meppeler maat met de inhoud van 26,05 l kan met een blokje wel minder van inhoud worden, maar nooit meer! Verder was er natuurlijk de groot- en kleinhandel, het verschil tussen zware en lichte graansoorten. Waren hier aparte graanmaten voor in gebruik? In Groningen werd bij bepaalde graansoorten per zoveel mudde een toegift gegeven.
Zie “M&W”, p. 1190: “op tien mud haver en op twintig mud gerst, 1 mud extra”. (Er zijn dus geen regels voor een toegift op bijvoorbeeld 5 mud haver of 1 mud gerst.) Of dit gegeven betrekking heeft op de groothandel is niet vermeld. Een voorbeeld van toegift is te vinden bij dr. J. Weyns, “Volkshuisraad in Vlaanderen”, pp. 954—955: “In Lier werd voor de harde granen — vooral rogge — met een schrale of gestreken maat gerekend en voor haver met een volle of opgehoopte maat”. Verder geeft hij nog aan: “De namen voor de oude inhoudsmaten kunnen verwarrend werken omdat ze ter plaatse iets anders inhielden”. Verhoeff (in: “De oude Nederlandse maten en gewichten”, Amsterdam, 1983): “Niet altijd is de schepel een 0,25 mudde. ‘s Hertogenbosch en Tilburg bijvoorbeeld 0,125 mudde en in het Gooiland: 35 pint”. Tieleman en Holtman troffen op sommige door hen onderzochte maten een soort kruis aan. Kan dit een aanduiding zijn van de graansoort die met deze maat kon (moest) worden gemeten? Of heeft de letteraanduiding, (zie: M.A. Holtman. “M&W Drente”), te maken met een verandering van de inhoud van de maat?

Maten veranderen en andere namen

Was in ons land, net als in het Graafschap Bentheim, het gebruik van pacht-spiker-tentmaat bekend? Wat is het maatverschil tussen graan uit de spiker (opslagruimte; dus droger graan) en de gewone graanmaat? In het Graafschap was de spiekermaat kleiner dan de gewone graanmaat. Zwolle had veel invloed in dat gebied (O.a. Neuenhaus gebruikte de Zwolse maat), maar we weten niet of de in veel aktes beschreven winterrogge — naar o.a. Zwolse maat — bij ons als spiekerrogge werd gemeten. (Winterrogge werd voor de winter gezaaid! Werd het opslaggraan bij ons winterrogge genoemd?)

Was de verandering van maatinhoud (zie: “M&W Drente”, p. 11 en hiervoor) ingegeven door belastingen of concurrentiemaatregelen? Dit zal waarschijnlijk per stad of streek verschillend zijn geweest. Eerder is al aangegeven dat inhoudsmaten al gauw 2% kunnen afwijken. J.M. Verhoeff noemt bij Zwolle de graanmudde van 120,4 l. Dat is dus 30,1 l voor de schepel (2% verschil ten opzichte van de 29,54 l van Ter Pelkwijk). Bij Meppel wordt verwezen naar Utrecht, ook 120,4 l voor het mudde. Bij Zwolle staat nog vermeld: havermud, 113,7 l, dus een schepel van 28,425 l. Bij Utrecht worden (haver)mudden uit de 16e en 17e eeuw vermeld van resp. 116,5 / 117 en 105,4 l. Dus een schepel uit die tijd van 29,187 tot 26,35 l. Tieleman schrijft, “M&G” p. 1210, “dat uit zijn onderzoek van verschillende boekwerken blijkt dat er weinig reden is voor de veronderstelling dat een graanmaat groter of kleiner is geworden gedurende de periode vanaf het begin van de 16e eeuw tot aan de helft van de 18e eeuw”. Amsterdam heeft echter zijn schepel een aantal malen veranderd (zie verderop). M.A. Holtman meldt, zie ook hiervoor, dat na de verandering in 1699, in maart 1700 de verplichting om Zwolse maat in Meppel te gebruiken wordt ingetrokken en “dat men de mate die van oldes in gebruik waren weer mocht gebruiken”. De besproken Meppeler maat van 26,05 l kan dus een 0,25 van een mudde (105,4 l) zijn, die in Utrecht al in de 16e en 17e eeuw bekend was. Of het om een haver, gerst of een ander soort van graan gaat is onbekend.
De berekeningen die in het verleden gemaakt zijn en waarop menige stelling is gebaseerd, o.a. over hoeveel mudden er in een last gingen, kunnen daar geen fouten ingeslopen zijn? Was dat gegeven niet aan een bepaalde tijd en graansoort gebonden en werd dit niet aangepast als de maten van inhoud veranderden? Nemen we nu Meppel en gaan we uit van een last van 3 m3 (3000 l) Uit de maat van 1806 van 26,05 l gaan 115,2 schepel oftewel ± 29 mud in het last. Van de door M.A. Holtman onderzochte twee maten uit resp. 1809 en 1772/1823 (gem. 29,5 l) gaan er 101,69 schepel oftewel ± 25 mud in de last.
Als Ter Pelkwijk een tabelletje over Drente had moeten samenstellen en hij had alleen de beschikking gehad over de kleine maat uit 1800, dan was er genoteerd: ”Bij vergelijking is gebleken dat de Meppeler graanmaat afwijkt van eerdere opgaven. De uitkomst is geen 25 mud of 100 schepel in een last maar 29 mud of 116 schepel”. Dit voorbeeld, om aan te tonen dat gegevens betrekkelijk kunnen zijn voor verder onderzoek.

Meetverschillen

Wanneer de inhouden van de opgemeten schepels al niet precies gelijk zijn, zijn ook de inhouden in liters van een hoed of een last afwijkend. Een hoed was volgens Verhoeff (p. 106) “onder andere een inhoudsmaat voor graan, bijvoorbeeld te Dordrecht; 3 hoeden op een Amsterdamse last”. De last (p. 111) “was de grootste graanmaat in een belangrijk deel van Nederland. De Amsterdamse last werd in de 16e eeuw de algemene graanmaat voor de groothandel en de last van andere steden werd verondersteld even groot te zijn”. Een Amsterdamse last is volgens Verhoeff (en Zevenboom) “108 schepels van 27,914 l inhoud in totaal 3014.7 l”. Het wordt afgerond tot 3010 liter! (Dit leek hem redelijk!) A.M. Holtman komt voor een Groninger last (“M&W Drente”, p. 6) op 3003 l. De auteur rondt de last af op 3000 l en constateert dat het Groninger last afwijkt van het Amsterdamse. Tieleman (“M&W” p. 1211) komt na berekening (Amsterdamse schepel van 27.814 l x 108) op de Amsterdamse last van 3003,912 l uit (dit komt dus wel overeen met de Groninger last). Tieleman wijkt met z’n schepelinhoud af van wat Zevenboom, (dus ook Verhoeff) aangeeft; met Ter Pelkwijk komt het overeen. De metingen van Ter Pelkwijk en mijn berekeningen t.o.v. de last, zoals die in dit artikel in tabelvorm zijn uitgewerkt, tonen aan dat op een enkeling na, de lasten van Overijsselse steden binnen de 3% (tolerantie?) van de Amsterdamse last vallen. Was er voor de invoering van het Metrieke stelsel ook een tolerantie van 3%? Maar mogen wij die 3% toepassen als daar niets over bekend is?
Wanneer het zeker zou zijn dat de Zwolse schepelinhoud van 29,54 l ook in 1719 gold, dan zou de Amsterdamse last uit die tijd kunnen worden vastgesteld. Hoe dan? Via Holtman en Schunselaar kwam in mijn bezit een kopie van een akte uit het Oude Statenarchief van Assen van 4 januari 1719. Hierin staat onder andere te lezen: “dat wij op een last koren tot Zwol hebben hondert schepel dog als wij deze last na Amsterdam senden moeten twee schepel meeder senden of wij kunnen daar geen maat houden”.
De informatie is afkomstig van de Zwolse ijker Wesselink en gericht aan de heer Van der Woude (verwalter scholtus van Meppel). Uit de informatie is op te maken dat er in 1719 102 Zwolse schepels in een Amsterdamse last gingen. Zou ik dus 29,54 l gebruiken (het gegeven uit 1800), dan is de Amsterdamse last in 1719, 3013.68 l. In “M&W” pp. 1109—1116 behandelt Tieleman “de achtergronden over de voormetrieke Amsterdamse en Groninger korenschalen”. Op p. 1114 staat te lezen dat Amsterdam vanaf 1653 een schepel had van 27,263 l. Vanaf 1762 was die 27,405 l geworden en in 1808 werd hij vastgesteld op 27.814 l (wanneer een Amsterdamse last steeds 27 mud = 108 schepels is gebleven, is de inhoud ± 2% meer geworden.). Uit de (fictieve) berekening voor 1719 (3013,68 l) blijkt dat een simpele berekening met gegevens uit verschillende tijden niet terecht is.

Dat steden in het westen ook een afwijkende last t.o.v. Amsterdam hadden en dat met gebruik van gegevens uit het koopmansboekje onder andere afwijkende zaken aan het licht komen, kunt u, met een beetje geduld, hieronder lezen. De gegevens, die van vóór 1817 moeten zijn, en de uit 1800 daterende Zwolse maat, zullen hiervoor als basis dienen. Ter Pelkwijk gebruikt in zijn tabel de Amsterdamse schepel van na 1808, terwijl het gegeven over de Zwolse schepel van 1800 moet zijn. Zevenboom heeft in zijn boek “Bijdrage tot de kennis van de oude Amsterdamse graanmaat” gegevens uit 1800 vergeleken met die uit de “Tresoor, Schiedams verhuurboek” en uit het “Cooplieden handbouaxkin” uit de 15e/I7e eeuw. Zodoende is bijlage II in zijn boek ontstaan. Beide laatstgenoemde auteurs hebben hun tabellen samengesteld met gegevens die uit verschillende tijden stammen; hiermee simpele berekeningen te maken is niet terecht. Tieleman heeft een onderzoek gedaan naar de Valkenburgse Somer. Zijn beweringen zijn ook gebaseerd op die foute berekeningen.De last had in naam dezelfde inhoud maar week in werkelijkheid af van dat van Amsterdam. Wanneer met de gegevens uit het koopmansboekje verder wordt gerekend, dan ontstaan er soms bijzondere uitkomsten. Het in elkaar omrekenen van inhoudsmaten van verschillende steden doet de verschillen toenemen.

 

Afmetingen van het koopmansboekje: 95 x 72 x 17 mm

Koopmansboekje

Wat uitleg over het Koopmansboekje: Er zitten in totaal 82 bladzijden in van dik geschept papier. 76 bladzijden behandelen gegevens en tabellen die voor “Koornkopers, Bakkers, Brouwers... van belang zijn. Gecorrigeerd vermeerderd en van nieuws bijgevoegd van Maten-Gewichten in Holland, Zeeland, Gelderland, het land van Kleef, Brabant, Overijssel etc., etc.. Door M.C.V.L. Te Rotterdam bij J. Hendriksen”. Achterin zijn nog 6 bladzijden met tekst en tabellen opgenomen in de “Vernieuwde uitgave van 1817”. Het drukadres is van de Boek- en Kunstplaat-Drukker, J.Hendriksen op de Hoogstraat in Rotterdam.
Wat de tekst “Gecorrigeerd vermeerderd en van nieuws bijgevoegd” precies inhoudt kan ik moeilijk beoordelen. Hoe oud de vermelde gegevens zijn weet ik ook niet. Ze moeten in ieder geval van vóór 1817 zijn.

Aan de binnenzijde van de voorzijde is een lakstempel te zien maar die ik niet kan ontcijferen

De afbeelding is door een creatieve gebruiker 'versierd'

Wie de schrijver van dit boekje is geweest: “Door M.C.V.L.”, zal waarschijnlijk wel een mysterie blijven

Uitleg

De informatie over Zwol en de bladzijde waar de 'Vernieuwde pagina’s' worden aangekondigd

Achterzijde van de aankondiging en een aanbevelingstekst

Ga ik uit van de vermelding uit het koopmansboekje: “Rotterdam, Delft, Schiedam. Deze steden hebben eenderlei Maten. 29 Zak een Last, 1O,663 Zak is een Hoed, 3 Achtendeel is een Zak”. (Afb. 12.) En voor Zwol van het gegeven; “De 9,5 Mudde zijn een Hoed tot Rotterdam”. (Afb.10.) Dan kan ik daar een berekening mee maken. Het aantal hoeden in de Rotterdamse Last is 29 : 10,66 =, 2,72045. Omdat 1 Rotterdamse hoed gelijk is aan 9,5 Zwolse mudde vermenigvuldig ik de voorgaande uitkomst met 9.5 en kom dan voor de Zwolse mudde op 25.844275 l. Het Mudde bestond uit 4 schepel en omdat de schepel van 1800 bij mij bekend is, nml. 29,54 l, kan ik uitrekenen hoeveel liter de Rotterdamse Last moet zijn geweest. 1 mud is 4 maal 29,54 l = 118,16 l. Dus de last zou zijn 118.16 maal 25.844275 = 3053.76 l.

Vermelding van maten van verschillende steden in Holland


De gegevens over Kampen: “De 9 mudde zijn een hoed tot Rotterdam”. Gebruik ik dan de gegevens van Ter Pelkwijk, hij geeft voor de Kamper Schepel 27,56 l aan, dan moet je op een zelfde aantal liters voor de Rotterdamse Last uitkomen. Vreemde is dat er dan voor de Rotterdamse Last 2699.12 l uitkomt!

 

Ik haal een ander gegeven uit het Koopmansboekje: “Deventer de 36 mudde is een last, 4 schepel is een mudde”. Er wordt dus niets aangegeven t.o.v. Rotterdam. Mogen we dan een berekening maken? Laten we eens kijken: Ter Pelkwijk geeft in zijn tabel aan dat Deventer een schepel had van 29,04 l. Dus daar gaan we weer:
1 Deventer mudde = 4 x 29,04 l = 116,16 l. Het Rotterdamse last zou dus 36 x 116,16 l = 4181,76 liter zijn. Ter Pelkwijk geeft echter aan dat 26 Deventer mudden in een last gaan. Reken ik dat uit: 26 x 116,16 l dan moet er een last zijn van 3020,16 l. Waarschijnlijk is bij Deventer (in het boekje worden op deze manier meerdere steden vermeld) gewoon bedoeld dat de plaats zelf een last heeft die 36 mudden heeft. Of het getal klopt is ook nog maar de vraag want dan zou de Deventer last wel erg verschillen van het aangegeven Amsterdamse last van 3010 liter.

Ook eventuele drukfouten kunnen een rol spelen en je zo op een verkeerd spoor brengen: in het bezit van Tieleman is het boek van Isaac Le Long, “Koophandel van Amsterdam” uit 1753. Op p. 288 van deel 1 staat dat Deventer 26 (!!!) mudde in een last heeft. Ter Pelkwijk vermeldt echter 36! Ook op p. 288 van deel 1 is te lezen “Te Zwol is 6,5 Mudde een Rotterdamse Hoed”. Ter Pelkwijk noemt 9,5 net zoals het in het koopmansboekje is te lezen. Van Utrecht wordt nog op p. 286 vermeld: “Heeft 25 Mudden in een Last, 10,5 Mudde zijn tot Rotterdam een Hoed”. In het koopmansboekje wordt aangegeven “dat er 23 mudden in een Last zijn”, het gegeven van “10,5 Mudde tot een Rotterdams Hoed” is hetzelfde gebleven. Verdere berekeningen zal ik u besparen omdat genoeg is aangetoond dat er steeds verschillende uitkomsten voor de Rotterdamse last zijn. Wel wil ik het volgende nog opmerken: als 9,5 of 6,5 Zwols mudde wordt gelijkgesteld aan een Rotterdamse hoed en bij Utrecht wordt 10,5 mudde gelijkgesteld aan de Rotterdamse hoed, dan is het vreemd dat Verhoeff vermeldt dat beide steden een graanmaat hebben die — wat inhoud betreft (120,4 l) — gelijk is. Hoe moet ik nu mijn Meppeler maat van 26,05 l determineren als er zoveel en verschillend over maatinhoud wordt geschreven?

Slot

De conclusie die mag worden getrokken uit bovenstaande tekst is, dat terughoudendheid gepast is als men gebruik wil maken van gegevens die geen goede basis hebben. Veel auteurs schrijven klakkeloos van elkaar over. Erger nog, vaak poneren zij een “bewezen” stelling die een eigen leven gaat leiden. Zodoende wordt het steeds moeilijker om in de brij van gegevens de goede eruit te zoeken. Ik pleit er dan ook voor dat we beginnen om de voormetrieke inhoudsmaten, die in ons bezit en in het bezit van musea zijn, op te gaan meten en de gegevens daarvan te verzamelen. Als de maten, die in de Oudheidskamer van het IJkwezen aanwezig zijn, opgemeten en gepubliceerd zijn, denk ik dat die informatie er toe zal bijdragen dat er minder wordt gegist. De invoering van een standaardmeting voor maten is dan aan te raden. Aan de hand van maten en geschreven bronnen uit dezelfde tijd kan een nieuw onderzoek worden opgezet. Of het Meertensinstituut dit ter hand neemt (waar het boek van Verhoeff is verschenen en waar een aangepaste druk van zou moeten verschijnen) of dat er binnen onze vereniging een commissie wordt samengesteld, beide bied ik mijn diensten aan.

Of het Koopmansboekje uit 1817 een eerdere druk met andere gegevens heeft gehad? Het is onbekend of er tussen 1753 en 1817 of tussen 1800 en 1817 een druk is geweest. Ik ben mij ervan bewust dat het rekenen met onder andere de Amsterdamse schepel van 1808 en gegevens van 1800, zoals Ter Pelkwijk in zijn tabel aangeeft, gecombineerd met gegevens uit 1817, niet kloppend hoeven te zijn. Omdat mij niet bekend is of steden als Zwolle, Deventer, Kampen of Meppel hun schepelinhoud na 1800 hebben veranderd, zoals Amsterdam heeft gedaan, ga ik uit van mijn berekeningen zoals die in mijn artikel zijn vermeld. Voor aanvullingen hierop houd ik mij aanbevolen.

Met dank aan de heren Holtman, Tieleman en Schunselaar voor hun opmerkingen.

Opm. 2010: zoals hier boven is te lezen was er bij het IJkwezen (Het latere Meetinstituut te Delft) een Oudheidskamer. Het vroegere IJkwezen had in ieder geval al in de 19e eeuw een aantal maten en gewichten in hun bezit waaronder vele officiële standaarden van de voormetrieke periode en natuurlijk ook van de periode nadat het metrieke stelsel zijn intrede deed. Deze standaarden moesten bij een bepaalde temperatuur en luchtvochtigheid bewaard worden zodat er zo weinig mogelijk verschillen zouden optreden bij nameting. Daarom gaven verschillende musea en gemeentes hun stadsstandaarden in bewaring bij het museum van het IJkwezen.

Op het universiteitsterrein van Delft werd een nieuw onderkomen in gereedheid gebracht om de steeds maar uitbreidende collectie onderdak te bieden. Op 26 augustus 1993 was de officiële opening van het Techniekmuseum met daarin ook het Museum van het IJkwezen. Als conservator werd dhr. Bot aangesteld en hij zorgde er samen met “vrienden van het museum” voor dat het museum, op zijn gebied, het grootste werd in Europa. De collectie gaf de honderden jaren oude geschiedenis weer van haast alles dat met het meten en wegen in verband kon worden gebracht. Zelfs Middeleeuws materiaal was in de collectie aanwezig. Nadat conservator Bot was overleden was het museum overgeleverd aan de zorgen van enkele vrijwilligers. De openingstijden werden steeds minder en enige jaren geleden besloot het ministerie om de geldkraan dicht te draaien en werd de Oudheidskamer opgeheven! Musea konden zich melden of er werden voorwerpen aan die musea geschonken zonder dat er gekeken werd of de maat of gewicht op zijn plaats kwam! Zo kon het gebeuren dat Meppeler maten in Den Haag kwamen en een speciaal Zwols gewicht via via terecht kwam in het geldmuseum te Utrecht. Overgebleven voorwerpen werden versjacherd op verschillende veilingen en handige verzamelaars wisten enkele topstukken op een vreemde manier in hun bezit te krijgen. Hieruit blijkt weer eens hoe wij met ons historisch erfgoed omgaan. SCHANDALIG!