4 | Restanten van het klooster

Ten aanzien van de panden aan de Pastorieweg merken Berends en de Vries (5) op: “de tussenmuur (van de kelders) is kennelijk oorspronkelijk, de verzwaring in de midden doet vermoeden dat de dwarsmuur zich hogerop voortzette met een stookplaats daartegen”. Volgens de Vries is de huidige stookplaats blijkbaar gebouwd toen dit pand werd omgebouwd tot boerderij. De oude stookplaats is verdwenen. Het meest oostelijke gedeelte van de kelders lijkt volgens Berends en de Vries niet uit de kloostertijd te stammen. Een motivatie wordt niet gegeven.

Ook de door ons ontdekte oude kloosterdoor(in)gang in de zuidmuur van de fam. Bredewold wijst op een zuidvleugel. Door ons onderzochte bouwgegevens die niet in het onderzoek van Berends en De Vries behandeld of soms maar vluchtig behandeld worden zijn bijv. de ondiepe fundering aan de zuidzijde van de kamer van de fam. Bredewold. Dit is waarschijnlijk de zuidgevel geweest van dit kloostergedeelte. Het hele fundament bestond slechts uit enkele lagen gestapelde stenen. Hadden de onderzoekers dit eveneens ontdekt dan had men zich het zoeken in het afgegraven gebied oostelijk van het kerkhof kunnen besparen. Een extra opmerking in 2011: in het ‘Windesheimerboek’ (2) wordt door de onderzoekers op blz. 84 hun twijfel uitgesproken over hun eigen waarnemingen m.b.t. het niet herkennen van uitbraaksleuven! Men zocht namelijk naar sporen van tras/puin maar tijdens hun onderzoek in de kerk bleek dat daar de onderste steenlagen van de muren gewoon op elkaar gestapeld waren. Zij hadden totaal geen rekening er mee gehouden dat funderingsstenen los op het zand gelegd werden. Heel dom van Van Beek want hij had dat moeten weten. In maart 1984 was ik namelijk aanwezig in de binnenstad (Nieuwstraat hoek Roggestraat) bij de sloop van de panden waar Scapino gebouwd zou worden. Daar lagen de funderingsstenen ook los op het zand en heb dat toen doorgegeven aan Van Beek.

Verder willen we nog wijzen op een stuk oude muur in de losstaande grote schuur van de fam. Bredewold die bepaald niet hoort bij het nieuw gebouwde gedeelte en blijkbaar doorgelopen heeft; want dit is aan de noordzijde te zien. Dan is er nog het tongewelf in de schuur. Mogelijk door een keuterboer aangelegd schreef de Vries in een krantenartikel (6). Het lijkt ons een kostbare zaak voor een keuterboer. Het zou volgens de Vries uit de 17e of 18e eeuw stammen gezien o.a. de steenlagenmaat. De kleinste steensoort in het gewelf is 22.5 x 10.5 x 4.5 á 5 cm.



Kijken we bij het klooster Frenswegen dan is er in één van de kelders
nog een gedeelte van het oudste, vroeg 15e eeuwse tongewelf, te zien.
Deze bestaat eveneens uit een zeer kleine steensoort, 23 x 11 x 5 cm.
Men ziet dus dat het niet verantwoord is om bij een datering
alleen op de grootte van de baksteen of de steenlagenmaat af te gaan.


Een klein onderzoek van ons toonde aan dat in ons gehele land bij opgravingen steenmaten gevonden zijn die overeenkomen met de afmetingen van Windesheim. Door de archeologen worden deze in de 14e-16e eeuw gedateerd. Dat is heel wat anders dan de 17e-18e eeuw zoals de Vries ons wil doen geloven. Een ander gegeven waar de Vries aan voorbij is gegaan is het steenformaat 27 x 9.5 x 5 cm. van de funderingspoeren in het tongewelf. En waarom funderingspoeren aan één zijde (binnenzijde) als er een houten schuur op staat?


In 2011 ontving ik van Joop Bredewold informatie en een aantal foto’s van o.a. de losstaande schuur en de daar onder liggende kelder. Hij had ze gemaakt in september 2006 na het overlijden van zijn vader toen de schuur schoon opgeleverd moest worden. De linker afbeelding, waar de trap naar het tongewelf gaat, is gemaakt met de rug naar de plek waar 2.5 meter terug wij het gat gemaakt hadden om de gang te vinden. Zie eerste afbeelding in deze publicatie.
Op de tweede foto zijn we in de kelder beland. Achter de muur, die achter de trap te zien is ligt ruim onder het vloerniveau van de kelder de bovenkant van de gevonden gang (dus buiten de kelder). Aan de rechterzijde van het gewelf ligt daarboven de Pastorieweg. Op de twee gewelfafbeeldingen zijn vierkante poeren te zien. Deze poeren liggen aan de binnenzijde van het gewelf en meters binnen de buitenmuur van de schuur. Zij zullen dan ook niets te maken hebben met de daarboven liggende schuur van een 17-18e eeuwse keuterboer zoals Dirk de Vries ons wil doen geloven. Er moet iets bovenop gestaan hebben dat behoorlijk onderstut moest worden want anders bouw je niet zulke stevige poeren in een keldergewelf. Het keldergewelf is zo’n 1.80 m. hoog. Kleinkind Joey van dhr. Bredewold en zoon van Joop, kan daar net rechtop staan.

In de afbeelding links zien we onder een werkbank, die in de schuur staat, een bakstenen rollaag die uitgesleten is. Een drempel? Als we de breedte bezien dan is dat geen gewone doorgang maar waarschijnlijk de resten van een af/opstap van een kloostergang. De slijtage van de stenen wijst op een jarenlang gebruik. Navraag bij Joop gedaan en hij vertelde dat deze rollaag zich evenwijdig van het keldergewelf bevindt op nog geen meter van de kelderwand met de 2 poeren. Trek je lijnen in het verlengde vanaf de zijkanten van de rollaag dan valt deze rollaag tussen die 2 poeren! Wat voor iets zwaars heeft er boven die poeren gestaan? Een poort? Ingang naar een vroegste kerk? Heeft dit met de eerste bouwfase te maken? We tasten in het duister zonder verder onderzoek.

Rechts: de grove tekening van de situatie zoals ik die van Joop Bredewold kreeg. Of er onder de rest van de schuur nog kelders liggen is onbekend.

Ook het schoolplein is niet onderzocht. Op bepaalde plaatsen was de grond verzakt. Hier kunnen kelders gelegen hebben. Volgens de geschiedschrijver Geesink lagen de wijnkelders van het Klooster daar! Tijdens de sloop van de school heeft de sloper de kelders die ze tegen kwamen dichtgegooid met zand en door toedoen van dhr. Bredewold heeft de sloper het poortje laten staan.
Er was nog iets opmerkelijks. De keuken en de kamer van de fam. Bredewold vormen nu een geheel, omdat een gedeelte van de oude muur is weggebroken. Meten we nu de oorspronkelijke afstand tussen de oude muren dan is de afstand ongeveer 5.50 m. en dat is 8 el afgerond. Houden we de afstand van de kelderlengte aan dan moeten de aangrenzende vertrekken ook 8 el breed geweest zijn.
Tevens hebben we in Windesheim onder “De watergang” de aandacht gevestigd op het bakhuis. Deze ontbreekt echter op het minuutplan van 1832 en bij nader onderzoek van De Vries en Berends bleek het niet uit de middeleeuwen te stammen maar zou van vrij recente datum te zijn! Maar wat dan in het "recent" gebouwde bakhuis, zandstenen goten en speciaal getraliede vensters doen is ons een raadsel!
Als je via het huidige washok de trap op gaat naar de zolder dan kun je constateren dat er verschillende kleine kamertjes hebben gezeten. In de schuur waar vroeger de caravans van gemeentewerkers stonden zijn vensters dicht gemetseld. Dat we ook nog kunnen melden dat de muren opvallend dik zijn moet toch een indicatie zijn voor verder onderzoek?
In 412 -413 van de eerste redactie van de kroniek van Busch lezen we: “de oude poort verving hij door een nieuwe in het eind van de muur nabij de dorpsgemeenschap van Windesheim”. De perceellijnen lopen trechtervormig toe naar het zuiden in de richting van de Dorpsstraat. Uit de overlevering is bekend dat in de tuinen achter de vroegere bakkerij aan de Dorpsstraat muurresten lagen (of nog liggen). Onderzoek heeft daar niet plaats gevonden. Aansluitend wat wij al schreven over de merkwaardige kadasterlijnen rond de woning van de dominee vermeldt de Vries over de panden 2 en 4: “Het verschil met de westgevel (wat betreft de muurdikte) zou er op kunnen duiden dat er aan de oostzijde van het gebouw een kloostergang is geweest, overdekt door een aangekapt dak”.
Over de bouwresten en dateringen nog het volgende. Op blz. 34-35 van het ‘Windesheimerboek’ is te lezen: “op 8 mei 1413 is er een wijding van nieuwe gebouwen door prior Johannes Vos. Tien jaar later laat hij met instemming van de geërfden en de boeren van het dorp Windesheim driehonderdvijftigduizend stenen uit plaatselijk gewonnen rivierklei bakken en koopt o.a. duizend eiken planken, wagenschot geheten, balken, posten en ander hout. Dit was bestemd voor de bouw van een nieuwe kerk en nieuwe huizen voor de leken en gasten. Johannes Vos stierf aan het eind van 1424 en kon de bouw niet realiseren. Zijn opvolger Willem Vornken heeft met tegenzin de bouwwerkzaamheden opgepakt maar verkocht grote hoeveelheden van de opgeslagen bouwmaterialen omdat hij geen zin had in grote bouwwerken! De kloosterlingen drongen er echter op aan dat tenminste toch de lage, rietgedekte huisjes aan de west- en zuidzijde van de kloostergang voor de gasten te vernieuwen. Hij stond dit toe maar ging zelf op reis omdat hij niet tegen het lawaai van de metselaars en timmerlui kon!! Ook de kerk moet toen aan de zuidzijde met een halfronde vorm en breder opgehoogd zijn. De bouwactiviteiten moeten plaatsgevonden hebben tussen 1435-1443.”
Dus onderzoek van jaarringen in het hout en daarmee conclusies trekken over ouderdom van panden is erg discutabel want aangekocht hout kan al eerder gebruikt zijn.

5 | De overlevering

Men moet zo zijn twijfels houden over oude verhalen die de ronde doen. Als voorbeeld kennen we de onderaardse gang die onder de IJssel door zou lopen (7). Een kern van waarheid zat er wel in en dat bewees de ontdekte onderaardse gang waar makkelijk een mens doorheen kan kruipen. Volgens de verhalen zou ook een dergelijke watergang onder de brouwerij lopen.
Wie aan de oudere bewoners vraagt waar het klooster heeft gelegen wordt zondermeer naar de Pastorieweg verwezen. Verhalen worden van vader op zoon doorgegeven. Op zichzelf is dit geen bewijs maar het geeft te denken. Zo herinnerde zich een oude bewoner, die tegenover de pastorie woont, dat er jaren geleden een buis voor het huis van de dominee in de grond werd gedreven. Bij het boren verdween de buis en werd niet teruggevonden. Iets verderop moest opnieuw geboord worden. Door ons werden in de watergang koperen buizen aangetroffen die gebruikt werden als aardleiding.

Geesink (8), die een klein stukje geschreven heeft over Windesheim, weet alleen dat de kerk moet hebben gelegen in het weiland naar de zijde van Zwolle. Dat moet dan zijn volgens hem, ten noorden van de lijn brouwerij en de woning van de dominee. De aanduiding is erg vaag.
Met de nodige reserve willen wij het optreden van wichelroedelopers beschouwen. Het resultaat van een Belgische wichelroedeloper is bekend. De door Van Beek gebruikte kaart (uit 1931) van deze man met aangegeven muurresten klopt niet (deze kaart is in ons bezit). Dat is niet zo verwonderlijk want op die kaart hebben de aangegeven gebouwen geen enkele overeenkomst met de beschrijving van Busch of de generale regels voor een claustrum met kerk. We missen dan ook in hun verslag ‘Een klooster gezocht’ (van Beek en Clevis (2)) een mogelijke reconstructietekening die een indruk moet geven over indeling en grootte.
Voor het verschijnen van het Z.A.D. in 1989 werd ik opgebeld door de heer Mikkers (helderziende). Hij kon voordat hij de tekening in dat boek gezien had aangeven waar waarschijnlijk de oude muurresten lagen o.a. langs de Bergweg. Samen met de heer Van der Schrier was hij een tijdje daarvoor bij de Pastorieweg een kijkje gaan nemen en zag in een visioen monniken die in een kloostergang liepen!!

Nog een verhaal over de dikke muur met het boogje in de keuken van Bredewold (zie hierboven). Mevr. Bredewold vertelde haar zoon Joop, dat er tijdens een verbouwing rond de 70e jaren in de ruimte boven het boogje een rol perkament tevoorschijn is gekomen. De timmerman heeft deze rol meegenomen. Ze wist niet wat er op stond. De rol is nooit meer opgedoken.

6 | De begraafplaatsen

Er waren ten tijde van het klooster verschillende begraafplaatsen. Behalve in de kerk en het koor en de omgang daarlangs werd er ook begraven in de plantentuin van de conversen en de broeders. Acquoy is niet duidelijk wat betreft het algemene kerkhof, voor diegenen die bij het klooster begraven wilden worden. Hij schrijft letterlijk: “aan de westzijde der kerk, d.i. aan de kant van de toren”. Was dit een dakruiter of een echte toren?


1992: Gezicht vanuit het westen op de Pastorieweg. Foto is vanaf de Bergweg genomen. Op de voorgrond het terrein dat in 1991/92 bouwrijp is gemaakt voor de nieuw te bouwen woningen en waar veel mortelresten en puin werd gevonden.
Helemaal links de haag die om het kerkhof staat. Op deze foto is de kerk nog te zien die op de foto van 2011 verdwenen is achter de begroeiing.


Op de begraafplaats van Windesheim vinden we niets meer dat aan het klooster herinnert. (Opmerking 2006: Op de begraafplaats Bergklooster, waar vroeger het klooster Agnietenberg gestaan zou hebben, vinden we nog wel een oud graf. Aanvulling 2006 aan het eind van deze publicatie.) Direct tegen de begraafplaats van Windesheim aan moet het klooster hebben gelegen. Volgens de overlevering zijn in Windesheim muurresten gevonden op de begraafplaats. Heden ten dage komt men bij het delven van een graf nog steenresten tegen. We mogen rustig aannemen dat het kerkhof stamt uit de tijd van Busch. We weten niet hoe snel de reformatie verliep in Windesheim. Het kan best zijn dat een groot deel Rooms Katholiek bleef. Maar hoe het ook zij geen overheid zou het in zijn hoofd halen het kerkhof te ruimen waar Windesheimers hun familie begroeven.
Bekend is dat na gedeeltelijke afbraak van het klooster er veel stenen afgebikt werden en die naar Zwolle zijn getransporteerd. Bovendien werd in 1992, ook aan de westzijde, menselijk botmateriaal gevonden. Ondermeer vond men in een tuin van de nieuwbouw aan de Bergweg een schedel.

Links de losstaande schuur tegenover Pastorieweg 2. Bij binnenkomst van de schuur rechts de plek waar naar de gang gegraven is en links van de deur ligt onder de vloer het tongewelf. Tegen de muur van de schuur ziet u nog een stuk grafsteen staan dat gevonden is.

We kunnen zondermeer stellen: vinden we een concentratie van grafsteenfragmenten of botmateriaal, dan zitten we op een bepaalde plaats binnen het claustrum of kerk of de plantentuin van de conversen. Men weet te vertellen dat op de dierenweide graffragmenten gevonden zijn, welke te zien zijn op het museumgedeelte van het kerkhof ‘De Kranenburg’. (Opm. 2011: dit museumpje dat opgestart was door de beheerder van de begraafplaats, Wim van Vlaanderen, is na zijn pensionering door de gemeente verwijderd.) Zelfs in noot 19 van Windesheim vermelden Van Beek en Clevis dat hier bij de voorbereiding van de opgraving in 1985 nog stukken grafsteen gevonden werden. Bekend is de grafsteen van Van Herxen die nu voor de kerk in het gras ligt en vroeger als stoepsteen diende voor de deur van Pastorieweg 2. (Opm. 2006 Deze steen is op aandringen van kerkhistorici opgeknapt om te bewaren voor het nageslacht en heeft 20 november 2005 een plaats gekregen in de Hervormde kerk van Windesheim. Van Herxen verspreidde de Moderne Devotie vanuit Zwolle over Nederland (bron TV Oost).
Verder is bekend dat bij de aanleg van de dierenweide aan de rand van de Pastorieweg gewelven tevoorschijn kwamen. Tevens stuitte men bij de aanleg van een rioolbuis in de dierenweide op een muurrest. Onbegrijpelijk vinden wij dat men de dierenweide niet verder onderzocht heeft.

7 | Frenswegen


Klooster Frenswegen: Foto: Frieling,4460 Nordhorn Luftbildaufname, vrijgegeven.


Het voormalige Augustijner stift Sint Mariënwolde in Frenswegen werd in 1394 gesticht. Het sloot zich in 1400 aan bij de Windesheimer Congregatie. Net als in Windesheim betekende de reformatie een stilstand van het kloosterleven. In tegenstelling tot Windesheim leefde het convent weer op in de 17e eeuw na een langdurig verblijf in de burcht van Nordhorn. Er vonden talrijke verbouwingen plaats waarbij het hele karakter veranderde. In feite is er weinig middeleeuws meer te vinden. In 1881 brandde de oostelijke zuidvleugel af en ook de laatgotische éénbeukige hallenkerk werd door de bliksem getroffen en brandde eveneens af. De andere kloostergebouwen bleven gespaard alsmede de typische twee verdiepingen hoge kruisgang. Dit laatste vormt een uitzondering op de generale regels.

Als grondvorm zien we een ongeveer oost-west gerichte kerk. Rond een vierkante hof van ongeveer 30 bij 30 m. zijn de vleugels gebouwd met de diverse verblijven. Rond de hof loopt een omgang. Aan de zuidzijde van het claustrum zijn geen verblijven maar alleen de omgang. Het geheel wat tegen de kerk is aangebouwd vormt een vierkant, hoewel hier de maten iets afwijken en wel 49.19 m. bij 48.88 m. Er kunnen in het algemeen allerlei aanbouwen zijn zoals in dit geval een verlenging van de westvleugel naar het zuiden. Kloostermoppen uit die vroege tijd moeten een maat hebben volgens de archeologen van minstens 30 cm., maar wat wij vonden waren alleen 28ers op de plaats van de afgebrande kerk, die tussen 1435 en 1445 gebouwd werd en de houten kerk verving. De steenmaat was 28 x 12á13 x 6á7 cm. Ruw gebakken en onregelmatig van vorm. Geen kloostermoppen maar toch een klooster zouden we zeggen. Wij komen nog terug op dit onderwerp in het volgende hoofdstuk en tonen aan hoe dubieus het is om alleen af te gaan op steenmaten en lagenmaten. Van belang is één van de oudste bouwfragmenten in de kelder. We vonden hier een kleine steenmaat van 23 x 11 x 5 cm. en een grotere steenmaat van 28 x 14 x7 cm. Verder valt nog te vermelden dat de kelders onder de zuidvleugel liggen.

Klooster Frenswegen
Op de linkerfoto zijn links de resten nog te zien van de afgebrande kerk. Midden: de binnenhof van het klooster. Rechts: de restanten van de afgebrande kerk.