Inhoudsopgave


OPGRAVING KASTEEL VOORST 2 (vervolg)

Woensdag 26 oktober belde ik met R.v.B. over een put in de Halve Maansteeg. Ik had daar gekeken omdat ik bouwwerkzaamheden zag. Er was een put met bovenin scherven van Siegburgaardewerk maar ze lieten mij er niet bij omdat ze na een melding voor niets hadden staan wachten en nu geen tijd er meer aan wilden besteden! Ze gingen de put dichtgooien. De melding was gedaan bij Openbare Werken. Ruud was er van op de hoogte vertelde hij mij maar toen ik vroeg waarom hij mij dan niet gebeld had gooide hij de hoorn er op!! Opnieuw iets waar een put bij betrokken was en waar Ruud geen melding van deed naar mij toe. Krijg steeds meer de indruk dat hij mij die putten niet meer gunde. Wel mij vragen om in Hattem en Hasselt te gaan kijken. Waarschijnlijk om vrienden te blijven met de personen die daar onderzoek doen? Het blijft vreemd. Krijg ook geen uitleg van hem want hij draait zich om als ik er over begin!!! Kon hij dat er niet meer bij hebben? Tentoonstelling afgelopen en moest opgeruimd worden?

Woensdagavond bespreking vondsten kasteelterrein Voorst. Aanwezig: Hasselt, Bloemen met vriend, Wim, R.v.B., Verlinde en ik. Lachwekkend want ze hadden zich niet eens voorbereid op de prijzen. Verlinde wilde meteen weer spullen meenemen naar de R.O.B. om deze te tekenen. Hij vond even later van zichzelf dat hij zeurde! De dolk een hoofdstuk apart. Heb gezegd alles verdeeld (wisten we van te voren al). Dolk van Wim en toch maar bieden. Wim heeft 1500 gevraagd. Ingegrepen en bedenktijd gevraagd en later met Wim overlegd over de prijs. Het werd 1000 gulden. Bod van Verlinde op lakzegel werd 1000 gulden, kogels 100 en pijlpunten ook 100. Lamellen 50 gulden. In ieder geval was Verlinde goed aan het bieden en hadden we hem waar wij hem wilden hebben.
Bij weggaan mijn doos met ‘metalen’ inhoud voor 250 gulden aangeboden. Was niet duur en dat zei Verlinde ook maar hij had geen geld meer. Dus kwam ik zelf bedrogen uit want de pijlpunten en kogels wilde hij niet hebben want hij had er al zoveel maar hij wilde nog wel de Florismunt en de kraaienpoot. Dus alles of niets werd dus niets voor hem maar ook voor mij. De voorwerpen van leer, textiel en hout, waaronder een complete pijschacht van de twee die ik gevonden had, wel afgestaan aan het museum. Wat was ik toch aardig hé. Van het speelkoot, waar strepen ingesneden waren, snapte Verlinde niets. Spijt van aanbieding (kennis niet toereikend).


Een teenkoot van een onvolgroeid rund, voorzien van drie kerven. Dit niet ingeboorde stuk diende als speelkoot. Bij de andere koot zat in het ingeboorde gat nog een restant van lood. Duidelijk een werpkoot van het spel.



R.v.B. vroeg nog naar put in de Halve Maansteeg of ik daar toch nog aan het werk was geweest!

Wim heeft gesprek met R.v.B. gehad. Deze zou spullen brengen; dievenijzer, scherven, schoen, bekertje. R.v.B. kwam op vrijdag 11 november (alleen ijzer meegenomen) de rest had hij vergeten!!! Hij was naar Dalfsen geweest met Bruins. Melding via monumentenzorg over waterput in Waterstraat 4. Ze waren wezen kijken maar niets in aanwezig. Niet vreemd want meestal is in een oude waterput ook geen materiaal te vinden. Dat wist R.v.B. zo langzamerhand ook wel maar in Dalfsen woonden (oud) bestuursleden van de A.W.N. en blijkbaar wilde hij zijn gezicht daar laten zien. Als het een beerput geweest was dan had ik zonet nog niet geweten wie hij meegenomen had. Normaal haalde hij mij dan op want R.v.B. wist dan dat er gegraven moest worden.

Het begin van mijn publicaties over de opgravingen/waarnemingen die ik deed in Zwolle

Vanaf 1 juli 1983 was door een aantal historici en geïnteresseerden de Zwolse Historische Vereniging opgericht. Om de leden op de hoogte te brengen van Zwolle’s rijke verleden is er toen besloten om een 3-maandelijkse ‘Nieuwsbrief’ uit te brengen. Later is dat het ‘Zwols Historisch Tijdschrift’ geworden. De secretaris/redacteur van de vereniging, Jaap Hagendoorn (die zich later opwerkte tot voorzitter van deze vereniging en Wethouder van Zwolle), vroeg aan mij of ik voor de ‘Nieuwsbrief’ een verslag wilde schrijven over mijn archeologische ontdekkingen. Jaap was door mij al een aantal malen op de hoogte gebracht over wie er werkelijk in de stad de opgravingen deed en daarom vroeg hij mij. Toen ik R.v.B. op de hoogte stelde dat ik voor het blad mocht schrijven was hij verbaast en vroeg aan mij wat ik dan allemaal wel te vermelden had! Zijn verbazing betrof natuurlijk dat HIJ altijd de persoon was die archeologisch-verslag deed in verschillende verenigingbladen. En wat ik allemaal te melden had???? Ja, daar was hij natuurlijk benieuwd naar want daaruit zou blijken dat niet hij maar ik de aanjager was van de ontdekkingen in onze stad.
Ik heb toen een kort artikel geschreven over de opgraving(en) op het Kasteelterrein Voorst. Dit verslag is verschenen in de eerste Nieuwsbrief van 1984.

Zo heb ik in de andere uitgaven van 1984 en in de eerste van 1985 in het kort verslag kunnen doen van mijn opgravingen in Zwolle. De tweede uitgave van 1985 was een speciale uitgave ‘Maalstroom’ van het Z.H.T. maar in de 3e uitgave van 1985 had ik een artikel laten plaatsen dat ook verschenen was in Overijssels Historische Bijdragen 100 van 1985. Dat was het artikel van Olaf Goudbitz over de door mij gevonden schoenen in de Pletterstraat en bij de Librije. In de uitgave van het eerste kwartaal van 1985 had ik een verslag staan over de opgraving in de Spoelstraat. Ook Jaap Hagedoorn was een enkele dag bij die opgraving aanwezig geweest en heeft toen ervaren hoe R.v.B. daar met de bouwvakkers etc. omging. Toen Jaap mij vroeg om een verslag van die opgraving te maken heb ik hem er op gewezen dat ik ook iets stevigs wilde schrijven over R.v.B.. Hij heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt maar toen ik in mijn verslag de zin “Jammer was ook nu weer, dat door voortijdige publicatie van door de GROEP gevonden gegevens, sommige personen archeologie met zelfverheerlijking verwarren” en dit gepubliceerd werd, kreeg R.v.B. een rolberoerte. In bibliotheek is te lezen wat R.v.B. tijdens die opgraving, waar ik de leiding had en door de Gemeente Zwolle was ingehuurd, uitvrat.

Na het verschijnen van dit verslag heeft R.v.B. al zijn kunsten uit de kast gehaald om mij tegen te werken. Zijn ‘vrienden’, die niet beter wisten dat R.v.B. al het werk gedaan had en dat van R.v.B. zelf vernomen moeten hebben, wist hij voor zijn karretje te spannen. Verder moet u nog even in uw geheugen graven om te herinneren dat Verlinde en R.v.B. en niet te vergeten de mensen van de Culturele Raad van Overijssel, al een paar jaar bezig waren om een stadsarcheoloog aan te stellen en dat ik, zoals ik eerder al schreef, gedoogd werd zolang die stadsarcheoloog er nog niet was. Daarom ook dat u moet letten op de datums van verschijnen van publicaties en reacties van Verlinde en R.v.B..
In april 1985, kort na het verschijnen van het verslag over de ’Bibliotheekopgraving’ waren er werkzaamheden in de Assiesstraat. Er werden grote gasleidingen verlegd omdat er een groot gebouw neergezet zou worden. DE latere ‘Noorderflat’. Toen ik R.v.B. daar op attendeerde snauwde hij mij toe dat hij daar geen interesse voor had. Ik ben daar dagen aan het werk geweest samen met vriend Jan Klein. Leest u verder onder 1985-Assiesstraat.

U begrijpt dat daarna de verhouding met R.v.B. totaal bekoeld was en ik heb vanaf dat moment opgravingen gedaan op verschillende plaatsen en die gemeld door een journalist uit te nodigen zodat het in de Zwolse Courant kwam en R.v.B. het lezen kon. O.a. het vondstmateriaal van de opgraving bij de ‘Weezenlanden’ (eind 1985 - begin 1986) en de opgraving van de IJzertijdbewoning in Langenholte (februari 1986) zijn bij mij thuis getoond aan de prov. archeoloog Verlinde. Dat die natuurlijk ook niet gelukkig was met de situatie was duidelijk waarneembaar in zijn optreden naar ons toe. Herman Kamphuis heeft het verschillende malen voor mij opgenomen en heeft in brieven naar Verlinde en naar de directeur van de R.O.B. Van Es, zijn ongenoegen over de handelswijze van R.v.B. maar ook die van Verlinde kenbaar gemaakt maar daar wilden zij niets van weten want hij kreeg niet eens een antwoord. Een brief van mij werd beantwoord door Van Es met de tekst of ik R.v.B. in diskrediet wilde brengen!!! Verlinde schreef mij een brief waarin duidelijk te lezen was dat hij niet op de hoogte was wat R.v.B. allemaal uitgevreten had maar ik was lastig en daar moest ik het mee doen.

Het schrijven in Z.H.T. was afgelopen maar R.v.B. schoof o.a. Henk Hasselt van de Coinhunters naar voren. R.v.B. moest nieuwe gravers hebben en daar zorgde hij wel voor want hij wist een aantal coinhunters te strikken. Vreemd is wel dat ik jaren later nog steeds in de stad Zwolle opgravingen/waarnemingen kon doen terwijl er al een Stadsarcheoloog aangesteld was! Op terreinen zoals in de Assiesstraat en waar het Gouverneurshuis werd afgebroken zag ik hem niet terwijl dat zeer interessante gegevens opleverde na dagen van werkzaamheden. Enne, R.v.B. toen helemaal niet gezien!!! In verslaggeving van de jaren 1986 t/m 1988 meer daar over.

Maar nu wil ik even terugkomen op de vondsten die gedaan werden in 1983 op het Kasteelterrein

De vondsten die ik daar gedaan had maar ook de meeste vondsten van de andere jongens had ik getekend en genoteerd. Een aantal vondsten, vooral de munten, hout, leer en textiel, waren doorgespeeld naar de R.O.B. voor determinatie en conservering. Mijn bedoeling was om de door mij geregistreerde vondsten in de 1ste ‘Nieuwsbrief’ van 1984 kort te behandelen. Omdat de ruimte in de ‘Nieuwsbrief’ beperkt was besloot ik om alleen een tekst over de noodopgraving, aanvulling op de tekening en een paar bijzondere vondsten te behandelen. Wat te doen met al die andere vondsten? Omdat er in 1984 door mij vele opgravingen gedaan werden en meldingen nagetrokken moesten worden weinig tijd gehad om van de rest van de vondsten een publicatie te maken. In het najaar van 1984 werd ik door de gemeente Zwolle ingehuurd om de opgraving in de Spoelstraat (bibliotheek) te leiden. Welke rel daar door R.v.B. in werking werd gezet is in dat hoofdstuk te lezen. Tijdens die opgraving werd ik gevraagd of ik mee wilde werken aan een publicatie over de vondsten van 1983. Ik had nog een heleboel gegevens en ze wilden ook graag gebruik maken van mijn tekeningen. En waar nog geen tekening van gemaakt was zou de R.O.B. dat dan wel doen. Als ik dan de houten tol, één van de vele vondsten van mij, voor mijn rekening wilde nemen dan zouden zij wel over de rest schrijven! U vindt het toch niet raar dat ik op dat moment schamper begon te lachen? Ik mocht meeschrijven met de hoge heren maar dat moest wel beperkt blijven tot de tol. Deze anekdote heeft Herman Kamphuis later nog eens uitgebreid naar Van Es gestuurd maar net als op de andere klachten van ons werd er niet gereageerd. Toen ik tegen Verlinde zei dat ik op die manier niet mee wilde werken aan een publicatie snapte hij dat eerst niet! Ik wilde WEL meewerken als er ook andere vondsten door mij beschreven konden worden. Met een aantal conclusies in het ‘Kasteelboek’ was ik het niet eens en had dat na het verschijnen van het boekwerk bij Verlinde aangegeven.
Ik stelde dan ook als eis dat het onderzoek van Hein Wijnman er in moest komen. Welk onderzoek? Ik was het namelijk niet eens met de conclusie in het Kasteelboek dat de putjes/gaatjes in veel loodkogels afkomstig moesten zijn van het aanstampen van de kogel in de loop van de haakbus! Ik was er van overtuigd dat het putje ontstaat als de kogel gegoten werd en dat als laatste bij stolling het putje ontstond. Toen ik mijn mening vertelde tegen Hein Wijnman, toen hij bij mij thuis was om de scherven van het loodglas van de Ossenmarkt te bekijken, beloofde hij mij om eens wat testen te doen. Toen ik met mijn vrouw bij de R.O.B. in Amersfoort was riep Hein ons en op z’n bureau lagen verscheidene stukken lood van verschillende dikte. “Je hebt volkomen gelijk”zei hij en toonde trots zijn testen. Na het gieten van het lood bleef er een putje over. Ik moet hier bij vertellen dat ik in het verleden veel met lood gewerkt had en dat ook gesmolten had. Daarom was mijn mening gebaseerd op praktijkervaring maar net als veel andere meningen van mij was dat lastig want dat kwam ze niet uit. Enne, als je er niet voor gestudeerd hebt dan weet je er toch niets van? Blijkbaar weten zij niet eens wat een technische opleiding inhoudt!

Tevens had ik onderzoek gedaan naar wel of niet bevedering aan het eind van houten pijlschachten. Ik had namelijk een paar complete pijlen met schacht gevonden en kon die goed bestuderen toen ze nog nat waren. Het bleek dat nergens een aanwijzing te vinden was waaruit zou moeten blijken dat er veren aan het eind van de schacht gezeten hadden. In het kasteelboek, maar ook in andere publicaties over pijlen, wordt de vaststelling gedaan dat er ALTIJD een bevedering zou zijn toegepast. Na het onderzoeken van middeleeuwse voorstellingen op verschillende schilderijen en tekeningen kon ik dan ook constateren dat er pijlen MET maar ook pijlen gebruikt waren ZONDER veren op de schacht.



Op de tekening, die ik direct na het vinden van de pijlen gemaakt heb, kunt u zien dat de schacht aan één kant conisch gemaakt is. De dikte loopt van 10,5 mm terug naar 6,75 mm. Aan het eind van de schacht is een vlak stukje gesneden waar de boogschutter zijn vingers op kon leggen om de pijl naar achteren te trekken zodat de boog gespannen werd. Waarschijnlijk vervangt dat platte stukje de functie van veren.



Op de afbeelding is de 8 cm lange ijzeren pijlpunt te zien en het rond gesneden begin van de schacht dat in het huis van de pijlpunt moest. Het lijkt wel of de punt aan het hout met een puntenslijper gemaakt is zo mooi rond.


Nergens heb ik in pijlpunten iets kunnen vinden dat er op wees dat de pijlpunt bevestigd was aan het hout. Men sneed een punt aan de schacht zodat die in de huls van de pijlpunt paste. Waarschijnlijk werden de pijlen dan in water gezet zodat het hout wat kon opzwellen en de pijlpunt vast op het hout kwam te zitten. Doordat het hout water opnam werd de pijl ook zwaarder en kon er beter mee geschoten worden. Het hout was nog nat toen ik de maten genomen heb. De schacht in mijn bezit heb ik met chemisch materiaal geconserveerd en na bijna dertig jaar is de schacht door droging in totaal een halve centimeter gekrompen. Van de dikte is 2-3 mm afgegaan. De tweede complete pijl zag ik later op de zolder van het museum liggen en daar was niets meegedaan en daardoor was de schacht zo krom als een hoepel geworden! Dan had ik hem dus beter zelf kunnen houden!

Op het concept van de publicatie over de vondsten had ik een 19-tal op/aanmerkingen en velen zijn in de uiteindelijke tekst opgenomen. De publicatie is verschenen in Overijsselse Historische Bijdragen van 1985. Tevens heeft Verlinde het artikel laten afdrukken in zijn Archeologische Kroniek van Overijssel over 1982-1984 in de uitgave van het R.O.B, ‘Overdrukken 269’ dat in 1985 uitkwam.



Hier de opgravingtekening van de provinciale archeoloog A.D. Verlinde met de aanvullingen van mij. Tevens heb ik de tekening meer kleur gegeven voor de duidelijkheid


Bij A-B heb ik de put ingetekend waar eerst de R.O.B. aan het graven was en waar op de zaterdag van 3 april de A.W.N. mocht graven. Later is daar ook de demonstratie voor de school geweest.
A= Palen die tevoorschijn kwamen toen het park aangelegd werd. Deze palen lagen in lijn met de 2 rijen palen die de R.O.B. in de put gevonden had.
B= Twee stukken muur die tijdens de opgraving van de R.O.B. gevonden waren maar niet op de tekening van Verlinde voorkomen.
C= De plek waar drie palen tevoorschijn kwamen toen het park aangelegd werd.
D= In het verlengde van C een aantal palen en een stuk muur. Dit stuk muur lag in het verlengde van het stuk muur dat in 1982 door de R.O.B. was gevonden.
E= De strook van zo’n 70-75 meter rode steen die in de opgeschoonde sloot tevoorschijn kwam tijdens de aanleg van het ‘Stinspark’.
F= Tijdens het leggen van een duiker in de sloot kwamen twee palen tevoorschijn. De kronkel bij F is het oude toegangsweggetje.
Kleine W= Waterput in opgravingssleuf met houtdatering van 1267-1280.
S= Stammetjes die volgens de dia’s (hierboven) meer haakser op de muur waren gelegen dan de lijn van de Voorburcht doet vermoeden.
Z= Windrichting maar ook het bruggetje waar ik in oktober 1981 de eerste vondsten deed waaronder de ijzeren 13-14e eeuwse bijl.