Inhoudsopgave


1983 (vervolg)

Waterstraat

Kreeg in mei van Openbare Werken een melding door dat er in de Waterstraat een put gevonden was. R.v.B. was in Dalfsen. Tja, weer zo’n situatie dat ik gebeld werd als er een put was gevonden en dat R.v.B. er niet was of geen zin had??? Put was leeg.

Hardenberg

In juni geholpen bij W. Timmerman. Dat is een amateurarcheoloog die op z’n land en omgeving vondsten doet. Dit maal hielpen wij de prov. archeoloog Verlinde met het doorgaande onderzoek naar een urnenveld in het land van Timmerman te Mariënberg. Weet geen resultaten.

Hattem

In juni belde R.v.B. of ik even kon kijken in Hattem. Leden van de Historische Kring hadden een put gevonden. Hij had geen tijd! Tja! Om een put met zijn inhoud te kunnen dateren moet je daar wel verstand van hebben. R.v.B. wist veel van materiaal uit de vroege Middeleeuwen en prehistorie maar van het jongere ‘stadsmateriaal’ had hij geen kaas gegeten.
De put bleek materiaal uit de 16e eeuw te bevatten. De aannemer vroeg of ik die put niet leeg wilde halen. Neen, dat deden ze zelf wel zeiden de leden van de Historische groep ondanks dat zij geen ervaring hadden! Ik ontdekte in die zelfde ruimte nog een put maar de aannemer vroeg of ik daar niets over wilde zeggen omdat hij anders in de problemen zou komen met zijn werkzaamheden. Zo werkt dat!! Goedwillende amateurs (echte amateurs) hebben niet in de gaten dat er economisch problemen kunnen ontstaan maar dat een aannemer goede vriendjes wil blijven met een gemeentes!! Als ik de put had mogen leeghalen en ook de tweede put dan was er (misschien) nog meer geschiedenis van Hattem bekend geworden. Tja!
Achteraf bleek dat de amateurs er drie!!! weken over gedaan hadden om de ene put leeg te halen! Heb nooit iets vernomen wat er allemaal in de put gevonden is. Zodoende kreeg ik in Hattem contact met de museumconservator en toen ik in het museum was vroeg hij of ik iets wist over de kloten-/nierdolk (op de voorgrond) in de vitrine. Deze kon ik in de 14e eeuw dateren en achteraf bleek dat de Hattemse dolk bijna identiek was aan de dolk die wij later op het Kasteelterrein Voorst 2 hebben gevonden. In 1986 verwees de conservator een vrouw uit de Sassenstraat uit Zwolle naar mij door toen hij daar een telefoontje van kreeg of hij iemand wist die haar kon helpen.

Ossenmarkt

Aan de Ossenmarkt was het bouwproject voor bejaardenwoningen al een jaar bezig en in juni en juli ben ik er af en toe er gaan kijken. Toen ik eens op het terrein was vertelde een opzichter mij dat ik moest kijken in de panden die tegen de Kamperstraat aanlagen. Tot mijn grote verbazing zag ik daar op de plafonds prachtige beschilderingen. Op de hoofdbalken, kinderbalken maar ook tussen de balken, op de planken, waren allerlei dierfiguren en krullen te zien. Ik stelde meteen R.v.B daarvan op de hoogte en we zijn toen samen gaan kijken.
R.v.B. zei dat ik er verder niets over moest vertellen. Oké, maar later hoorde ik van de opzichters, ik kon goed met ze opschieten, dat de monumentendienst uit Zeist door R.v.B. verwittigd was. Hij zal Dirk de Vries (een van de besmette jongens! en toen leidinggevende bij de monumentendienst, wel op de hoogte gebracht hebben om een goede beurt te maken?). De dienst is geweest en heeft foto’s van het plafond gemaakt. Verder hebben zij niets met de schilderingen gedaan. De kwetsbare voorstellingen zijn niet behandeld en alles is onder het nieuwe plafond weggemoffeld. Waarom mocht ik niets vertellen over deze schilderingen? R.v.B. was hier weer eens duidelijk bezig om zichzelf op de voorgrond te plaatsen als de zogenaamde ontdekker.

Later zag ik dat er op een bepaalde plaats in het plafond een stuk was uitgezaagd. Dat was gedaan, zeiden ze van de bouw, om er iets doorheen te takelen. Niemand wist waar die planken gebleven waren!!! Ik had ook graag zo’n plank gehad. De stichting had besloten dat er bij het complex nog twee panden zouden worden aangetrokken. De sloper was al begonnen om die woningen te ontmantelen. Ik er naar toe en hem verteld dat als hij beschilderde planken zou vinden ik interesse had. Heb hem nog even geholpen om onder een gipsplafond te kijken maar geen beschilderde planken!

De volgende dag meldde de sloper dat hij een beschilderde plank had. Hij wilde er 200 gulden voor hebben. Heb dat niet gedaan maar avonds kwam hij nog een keer vragen en toen kon ik het voor 25 gulden van hem overnemen. Dat dus gedaan. Op de plank een Ekster en een Cupido die verbonden waren met mooie gestileerde krullen.

Vlak daarna liep ik in de Diezerstraat en hoorde mijn naam roepen. Achter mij liep de financiële directeur van Schutte, Dhr Pietersen die ik ontmoet had tijdens de eerste opgraving in 1982 op de Ossenmarkt. Hij zei dat hij gehoord had dat ik goed kon restaureren en vertelde dat hij een stuk plafond in zijn bezit had en of ik dat kon opknappen. Ik antwoordde dat hij maar langs moest komen. Pietersen kwam bij mij thuis en had twee stukken plafond bij zich met daarop twee verschillende voorstellingen. Ik mocht ze opknappen en als ze klaar waren zou Pietersen er één uitzoeken en de andere was voor mij. Dat is keurig opgelost want die ik mooi vond heb ik ook gekregen. De beschilderde plafondplanken zijn onder Fotomateriaal te zien.

Kamperstraat

14 juli was ik op de Ossenmarkt en toen bleek dat panden die voor de uitbreiding gebruikt zouden worden al helemaal gestript waren. Deze panden staan met de voorzijde aan de Kamperstraat. In een paar houten zitbanken bij de ramen, aan de voorzijde, vond ik documentatie van de verzekeringsmaatschappij ‘Van Voorst tot Voorst’. Veel informatie over de tram die toen in Zwolle reed en deze bescheiden heb ik overhandigd aan Gert Oostingh. Hij is al jaren bezig om oude documenten te verzamelen die over de stad Zwolle gaan. Na wat rondkijken zag ik in een muur een rond gat. Toen ik dat gat beter bekeek bleek het om een ingemetselde grape te gaan uit de 15e eeuw. Ik heb toen R.v.B. er bij gehaald. Deze vond de vondst erg interessant en wilde er de volgende dag nog foto’s van maken dus moest ik de pot nog even laten zitten. Ik had zelf al foto’s gemaakt maar dat was blijkbaar niet goed genoeg!!
De volgende dag ben ik toch maar weer naar de plek toegegaan en tot mijn verbazing bleek daar toen R.v.B. met de prov. archeoloog Verlinde aanwezig te zijn. Even later kwam er een journaliste van de Zwolse Courant! (Waar ik dus niets van afwist!) Tja, toen kon R.v.B. er niet onderuit om te zeggen dat IK de vinder van de ‘luisterpot’ was. Toen is het artikel tot stand gekomen die hier te zien is. Dat was eigenlijk de eerste maal dat ik afgebeeld werd in de Courant met een vondst op mijn naam. Maar wat was er gebeurd als ik morgens niet naar de plek terug was gegaan? Dat zullen we nooit weten maar ik heb mijn vermoedens!
De pot was aanwezig in de scheidingswand van de percelen Kamperstraat met de huisnummers 14-16. Achter deze woningen had ik dat jaar ervoor de ‘Dolkput’ met o.a. de fragmenten van de zeldzame loodglazen gevonden. Deze en de andere vondsten waren aanwezig in een gemetselde beerput. De voorwerpen konden worden gedateerd in de tweede helft van de 14e eeuw.



Het fragment van de ‘luisterpot’ was 13 cm hoog en de grootster diameter was ook 13 cm.


17 juli, vlak voor de bouwvak naar de Ossenmarkt gegaan en gekeken op de plek waar de put was geweest waar ik in 1982 het loodglas en de blauw-grijze scherven in had gevonden. Het zou toch mooi zijn om wat ontbrekende scherven te vinden? Met mijn opgravingstekening in de hand en de afstand vanaf de achterzijde van de panden eens uitgemeten en geconstateerd dat er boven de put niet gebouwd was. Althans ik zou er niet ver naast zitten en samen met vriend Kees Kruithof wilden wij, Kees die een week vakantie opofferde!, die gok wel wagen. Hoe dat gegaan is kunt u onder “Schatgraver” bij ‘Protest’ verder lezen.
Een monster uit die beerput heb ik, net als in 1982, aan R.v.B. gegeven die het weer doorgespeeld heeft aan Vincent van Vilsteren voor onderzoek. Ik heb er echter nooit meer iets over vernomen.

Kasteel Voorst

In juli door directeur De Jong van het P.O.M. werd ik gevraagd om de grote eiken balk, die wij tijdens de officiële opgraving in 1982 op het kasteelterrein gevonden hadden, schoon te maken en zo te bewerken dat hij mooi kon zijn voor de tentoonstelling die vanaf 3 september zou plaatsvinden. (Zie ook Kasteel Voorst 1.)


Op de foto is de opgravingsput te zien en waar de balk te zien is. Waar de dragline grond aan het verplaatsen is kwam een fundering tevoorschijn van een ringmuur die buiten het tufsteen, dat ook duivensteen wordt genoemd, ook kloostermoppen van het formaat 30 x 15 x 7,5 cm bevatte. De datering van dit formaat geldt in Salland als 13e eeuw. Het is niet onmogelijk dat die fundering niet van het laatste kasteel Voorst is geweest maar van het eerste kasteel welke in 1224 zou zijn geslecht.



In juli nog aan het kijken geweest bij rioolwerkzaamheden op de hoek Korte Kamperstraat-Voorstraat. Weinig kunnen waarnemen. N.A.P.-hoogte putdeksel 2,4 m.

Op 30 augustus gesprek over de Ossenmarktvondsten

Met Verlinde en R.v.B. een gesprek gehad op het archeologiedepot. R.v.B. bleek de dir. van het P.O.M. beloofd te hebben dat het museum ook mee zou delen in de vondsten die gedaan waren op de Ossenmarkt. Ruud heeft dat toen ook aan mij verteld maar ik heb hem toen gezegd “dat ze er maar voor moesten betalen want ik had ook mijn kosten en stopte er mijn tijd, gereedschap, etc. in”. Hij antwoordde toen “dat het goed was als het museum maar wat kreeg”. Bij de verdeling van de vondsten zocht R.v.B. 22 stuks aardewerk uit waaronder een paar prachtige borden. Van de Kloten- of Nierdolk had ik het houten handvat in mijn atelier al geconserveerd maar de R.O.B. wilde het metaal van het lemmet opknappen! Ook deze dolk zat in de partij voor het museum. Over de 14 eeuwse voorraadpot en schaal van blauwgrijs aardewerk, die dus later ook naar het museum gingen, heeft u in Schatgraver al kunnen lezen.

Ondanks mijn vragen waar het geld bleef kwam er maar geen betaling! Of R.v.B. heeft nooit over het betalen met De Jong gesproken en dat kan de oorzaak zijn dat de betaling achterwege bleef. Misschien heeft hij wel gezegd “ach dat regel ik wel met Dikken”! Omdat ik steeds weer mijn vragen had over die betaling was het gesprek op het depot geregeld. Waarom niet gewoon de betaling regelen en waarom dan een gesprek met Verlinde er bij? Verlinde die tijdens dat gesprek hoofdzakelijk aan het woord was waarbij R.v.B. ‘stilzwijgend’ alles aanhoorde! Moest R.v.B. iets verantwoorden? Tijdens dat gesprek proefde ik duidelijk dat Verlinde een betaling voor de vondsten niet verwacht had en toen ik hem er op attendeerde dat er een afspraak gemaakt was met R.v.B. en dat hij ook niet voor niets werkte, vond hij dat niet leuk. Hij had verwacht dat ik het museum de vondsten wel zou schenken omdat ik ook de andere vondsten mocht behouden. Uit deze antwoorden kon ik opmaken dat mijn vermoeden, dat R.v.B. voor Popie Jopie gespeeld had, terecht was. Wie uiteindelijk het geld op tafel heeft gelegd maakt mij niet uit maar een paar maand later was de betaling binnen.

Ik had wel een wrange smaak over het gevonden leer. De organische vondsten zouden door het R.O.B., op aandrang van Verlinde, geconserveerd worden. Toen ik begin 1983 een keer op bezoek was geweest bij het R.O.B. had ik van Goubitz chemicaliën meegekregen om hout en leer te conserveren zodat ik dat zelf kon doen en dan hoefde ik ook niet zo lang te wachten op de restauraties van de R.O.B.. Waarschijnlijk wilde Verlinde de R.O.B. laten weten dat er in Zwolle een grote opgraving was geweest? Dat hij zelf, op een enkele dag na niet aanwezig was, zal hij er dan wel niet bij verteld hebben. Door veel materiaal aan te leveren leek het net of hij er rechtstreeks bij betrokken was!

Volgens Verlinde zou er bij het gevonden leer niets interessants gezeten hebben!! Hout moest nog gebeuren (ruim een jaar later dus!). Later las ik een publicatie van Goubitz over de vondsten van de Ossenmarkt! De publicatie stond in ‘Overijsselse Historische Bijdragen’ van 1983, in de archeologische kroniek van 1982 dus, op blz. 125-126. Hij schrijft over de verschillende 17 eeuwse fragmenten van schoenen, boekband, textiel, en het 30 cm lange met mensenhaar omwonden halfrond gebogen ijzeren staafje. Deze waren gerestaureerd en de mooie bewerkte boekband is afgebeeld. Hoezo niet interessant! Waar is dat materiaal allemaal gebleven en over het gevonden hout nooit meer iets vernomen! Conclusie: tijdens dit gesprek, eind augustus 1983, stonden ze dus gewoon te liegen! Zoals ik al eerder heb geschreven: ze wisten niet dat ik ook lid van dat soort verenigingen was en de artikelen onder ogen zou krijgen. Nu achteraf combineer ik deze leugens van R.v.B. en Verlinde met die van het schoentje uit de Pletterstraat. Deze werd in dezelfde kroniek beschreven en daar was bij Goubitz ook niet van bekend dat ik dat gevonden had. Bah, wat een zooitje.

Toen op het depot eens rondgekeken en het aanbod gedaan om de uitgezochte vondsten van de Ossenmarkt, te ruilen tegen o.a. oude flessen, zodat er geen geld aan te pas zou komen. Verlinde gaf namelijk aan dat die flessen nergens genoteerd stonden en hij niet wist waar en hoe die gevonden waren. Leek mij een leuke deal maar hij wilde niet! Wat heb je nu aan vondsten waar je niets van afweet?
Nu kost het ze geld om de vondsten van de Ossenmarkt binnen te krijgen. Ach, ze hoeven het zelf niet te betalen; dat zal het wel zijn. Op het depot stonden tientallen Jacobakannen. Ik stelde voor om een aantal, na registratie en beschrijving, te verkopen om zo een pot te maken om eens een dragline te kunnen betalen voor graafwerkzaamheden. Ze keken me scheel aan! Blijkbaar denken zij anders dan ik!
Na het gesprek even in het museum geweest omdat directeur De Jong de kosten van het balkschoonmaken wilde afrekenen. Het gesprek met Lidy van Dijk (vrijdags hiervoor) wierp vruchten af! Mijn uren had ik niet berekend maar een bedankje was wel op z’n plaats geweest!!